Posts tonen met het label filosofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label filosofie. Alle posts tonen

woensdag 15 februari 2017

Voortgezet onderwijs kan gevaarlijk zijn

'Ode aan Socrates' in opdracht van deBuren
gisteravond voorgedragen bij de discussiereeks Made in Europe, deBuren, Brussel
eerder (deels) te horen op Radio 1 Canvas


Raphaël, Heidag van Gymnasiumdirecteuren (1509-11, Vaticaan, Rome)
 
Voortgezet onderwijs kan gevaarlijk zijn, zowel voor wie het geven als voor wie het ontvangen. Dat is één les die we kunnen leren van de uitvinders ervan. Want de filosofen op Raphaël’s School van Athene, als je erover nadenkt, zijn eigenlijk dat: de eerste middelbare-schooldirecteuren. Voordat er sofisten op de agora en bij het gymnasion opdoken om lessen welsprekendheid te geven, was het lesprogramma voor gegoede Atheense telgen vrij overzichtelijk: gymnastike en mousike. Lezen en schrijven. Homerus stampen. Lier spelen. Heel veel atletiek als voorbereiding op de latere permanente dienstplicht. Meezingen in het koor op een festival ter meerdere eer van de stadstaat.

De leerlingen van Socrates, daarentegen, gaan rare dingen doen. Plato steekt de manuscripten van zijn eigen toneelstukken in de fik. Alcibiades, de latere staatsman annex landverrader, komt in het Symposion stomdronken partycrashen om een ode op Socrates af te steken. Een ode die meer klinkt als een klaagzang: Socrates is ontzettend lelijk, hij drijft overal de spot mee, en hij is niet te versieren, wat je ook probeert – maar dat brein van hem, daar word je wild van. Critias, ook een leerling van Socrates, begint een Robespierre-achtig schrikbewind waarin 1500 Atheners het leven laten. 

woensdag 24 augustus 2016

Vrijheid is Frictie

Naar mijn lezing op het Brainwash Festival, oktober 2015
Eerder deze maand op hard//hoofd




Het leven is vol van tragedies. Ik bestel een lamsspies en vraag me direct af of ik niet beter de coq au vin had kunnen nemen – en zodra de lamsspies geserveerd wordt, weet ik zeker dat ik liever de coq au vin had genomen. Dat is overkomelijk, maar binnen de microkosmos van die keuze is het tragisch. Wat ik ook doe, er is geen manier om aan de teleurstelling over mijn eigen keuzes te ontkomen.

We verhogen de inzet wat. Een fascinerend persoon vraagt of ik naar een of ander poëziefestival ergens ver weg in het Westelijk Havengebied kom. Dat festival interesseert me natuurlijk geen klap maar die persoon wel, en ik moet eigenlijk eerst nog wat achttiende-eeuwse boeken doornemen voor mijn proefschrift. Dus ik sms terug ‘misschien’ en spring op de fiets met het plan om alleen even langs te flitsen, hoi te zeggen en weer weg te gaan. Blijkt een uur fietsen later dat er vijftien euro entree geheven wordt. Da’s toch wel veel geld om even hoi te zeggen. Dus ik zeg ‘nee bedankt’ en fiets weer terug. Het was best een mooie dag om gewoon een stukje te fietsen, maar toch: leg me uit waar ik mee bezig ben.

Het tragische is dat dit alles helemaal niet zo irrationeel is. De coq au vin was misschien ook tegengevallen en eigenlijk hou ik helemaal niet van poëziefestivals. Ik weet wat ik doe en waarom ik het doe, en toch lijk ik een soort speelbal van mijn eigen keuzes te worden. Er is simpelweg geen doorslaggevende reden om het een of het ander te kiezen, en dat is nou juist wat het een echte keuze maakt. Anders konden we onze keuzes wel laten bepalen door een keuzeoptimalisatiealgoritme, en daarmee eigenlijk onze vrije wil inruilen voor een procedure.

woensdag 15 juni 2016

Was there ever not a crisis in the humanities?

Essay that won the second prize in the Shout out for the Humanities competition, organized by advocacy group 4humanities.org. Personally, I consider the Humanities as an explanandum rather than something to shout out for, but it still makes sense to explain why we're in this game.

Image: Bernard Picart, The Muses warming themselves by the fire of bad books


Rumours have it that there is a crisis in the Humanities. That news is not new. According to one tract, there are four reasons for it:
  • The classics are edited badly.
  • Scholars promise too much, and then cannot live up to the expectations.
  •  Scholars quarrel too much, and thereby give the Humanities a bad name.
  • There is no money in it.
That is what theologist and journalist Jean le Clerc, one of the most prominent voices in the Republic of Letters of his day, wrote in 1699 in the first volume of his Parrhesiana. Especially point 4 still rings familiar.

The most recent episode in that crisis seems to have taken place last year, as a wave of student protests washed over Canada, the Netherlands and the UK opposing budget cuts, college fee rises and staff and student disempowerment especially in the non-STEM disciplines. No one complained about bad editions of the classics, but everyone involved seemed to agree that the university was not living up to its promises and instead leaving staff and students in the cold. One widely shared article compared academia to a Ponzi scheme, since it asks students to bury themselves in debt with the promise of jobs that they will rarely get, and if so only after years in graduate and post-doc limbo. If devoting your life to learning becomes like borrowing money from the mob, then something has gone gravely wrong indeed.

dinsdag 17 maart 2015

Bildung heute?

Vandaag in hard//hoofd


“Ik herinner me nog het moment dat ik vaststelde dat ik unpolitisch was geworden”, schreef ik een maand geleden, terugkijkend op mijn jaren in het studentenprotest en de artistieke ondergrondse. Alsof het zo bedoeld was verscheen een dag later een satirisch verhaal over een Burgerlul die wegloopt om zich in het Woeste, Grensverleggende Amsterdam te voegen bij de intelligentsia in de contramine, of de avant-garde, zulk spul. Het was geschreven door iemand die tien jaar jonger was dan ik. 

En nog dezelfde week werd het Bungehuis bezet, wat na ontruiming omsloeg in een nog altijd voortdurende ‘re-appropriation’ van het Maagdenhuis. “Ik moet nodig eens repolitiseren”, schreef ik aan een bevriende politiek filosoof. Maar daar was geen tijd voor. Terwijl het protest oversloeg van de studenten naar de docenten, was ik mijn koffers aan het pakken. En nu zit ik in een hypermodern klooster-achtig instituut in een Berlijnse villawijk onderzoek te doen naar onderwijshervormingen van twee eeuwen geleden.

Nog voordat het Bungehuis bezet werd, vroeg iemand me of er op dit moment met de crisis aan de UvA ook sprake was van een revolutie in de geesteswetenschappen. Ik vond dat een rare vraag. Profiel 2016, het ondertussen feitelijk afgedankte bezuinigings-plus-hervormingsplan van letterendecaan Frank van Vree, was meer een kopie van een Angelsaksisch model dan een baanbrekend nieuw idee. Allengs lijken de ontwikkelingen in Amsterdam al meer op een kleine revolutie. Maar het Maagdenhuis is geen Bastille. (De Bastille was trouwens, toen die bestormd werd, grotendeels leeg: er zaten nog twee gekken, een paar valsemunters en een vriend van Marquis de Sade.)

maandag 9 februari 2015

Conceptual Change in the History of the Humanities (des weiteren)

Published today in Studium Tijdschrift voor Wetenschaps- en Universiteitsgeschiedenis 7:4 (2014)


'Conceptual Change in the History of the Humanities' is an article with a history. I started it in early 2011 in the hope of getting a PhD position if I could get something published. Abandoned it because of more pressing demands. Got a PhD position in late 2011 anyway. Finished the article as an essay for a graduate seminar in 2012. Submitted it with an A-journal later that year. Received a rejection after six months. Put the draft online. Finally reworked it and submitted it with Studium. The published version is approx. version 10. It feels like a former self talking. But it still makes sense.
Abstract
Was there ever a ‘scientific revolution’ in the Humanities, and to what extent is that notion applicable to the Humanities at all? In this article, I formulate various ways in which to answer that question. These options emerge from a discussion of what I identify as the ‘Standard Account’ of developments in the Humanities around 1800, the essentials of which are in the work of Michel Foucault, Hans-Georg Gadamer, and Isaiah Berlin. Without calling it as such, the Standard Account amounts to a description of a scientific revolution. However, this Account works as a model and a set of tacit assumptions rather than as an explicit article of faith, and all of its tenets have been criticized. Making its assumptions and shortcomings explicit leaves one with four alternatives: 1. in spite of all shortcomings and criticism, the Standard Account is largely correct; 2. there was a revolution, but it was different; 3. there were various breakthroughs and more or less revolutionary events rather than one revolution; or 4. there was no revolution in the Humanities at all. Evaluating these alternatives also throws a new light on the dynamics of conceptual change – how the humanities bring forth new ideas.
Full version here (open access)

donderdag 29 januari 2015

Te meta

Felix & Sofie: Metamodernisme en Engagement anno Nu
Perdu, 27 januari

vandaag in hard//hoofd

Zo’n vijftien jaar geleden, na mijn eindexamen, dacht ik erover het ‘retromodernisme’ uit te roepen. Ik kan het niet bewijzen want ik heb mijn ego-documenten in de papiercontainer gegooid, maar ik kan me wel herinneren dat ik het plan heb losgelaten omdat ik het idee te inhoudsloos en vrijblijvend vond. Had ik maar op z’n minst de domeinnaam geclaimd, want ook van holle ideeën kun je goede containerconcepten maken. Dat bewijst het huidige succes van het metamodernisme.

‘Metamodernisme’ is het geesteskind van cultuurwetenschappers/ -filosofen Timotheus Vermeulen en Robin van den Akker, die gezamenlijk in 2009 hebben vastgesteld dat het postmodernisme nu wel voorbij is en de site Notes on Metamodernism hebben opgericht. Dat is overigens, zonder dollen, een mooie site met leesbare, weldoordachte stukken over kunst en media. Het achterliggende idee is dat we niet meer terug kunnen naar het naïeve enthousiasme van het modernisme, maar ook niet mogen blijven steken in postmoderne ironie, en in plaats daarvan moeten slingeren tussen ernst en relativering, betrokkenheid en distantie.

Het klinkt als een triviale vaststelling: doet en deed niet iedereen dat? Vermeulen en Van den Akker claimen dan ook niet dat hun idee origineel is, en vinden het misplaatst om met strijdpunten en manifesten te zwaaien. In plaats daarvan zien ze ‘metamodernisme’ vooral als een diagnose van wat nu cultureel ‘dominant’ is, en presenteren het metamodernisme als een collectief project dat iedereen mee mag helpen definiëren. Het omvat muziek van Arcade Fire en films van Wes Anderson, performances van Shia LaBeouf en protesten van Occupy Wall Street. In elk geval veel dingen in kunst en media. Dat je daar de tijdgeest aan kunt aflezen, spreekt blijkbaar voor zich.

donderdag 15 januari 2015

De eeuwig wederkerende crisis van de geesteswetenschappen

Column gisteravond bij het Historisch Café, P96, Amsterdam
Vandaag in hard//hoofd




Dames en heren,

De geesteswetenschappen zijn in crisis. En wel om vier redenen:
  1. De studie is onnodig moeilijk, want de uitgaven van klassieke teksten deugen niet.
  2. Geleerden wekken te hoge verwachtingen, en kunnen die vervolgens niet waarmaken.
  3. Geleerden ruziën teveel, en geven daarmee de letteren een slechte naam.
  4. Er is geen geld mee te verdienen.
Dat schreef theoloog en journalist Jean Le Clerc, een van de internationaal toonaangevende publicisten van zijn tijd, in 1699 in zijn Parrhasiana. Die crisis duurt in feite nog tot heden voort, vooral wat betreft punt 4. De meest recente episode speelt zich nu af aan de Faculteit der Geesteswetenschappen aan de UvA. De faculteit moet € 7 miljoen bezuinigen en zo’n 100 personeelsleden lozen, een plan om dan maar over te stappen op een brede bachelor is afgefakkeld, en voormalig decaan Karel van der Toorn, destijds alom gehaat onder studentenraadsleden, is ingeschakeld om de discussie in goede banen te leiden. Dan is het goed mis.

Maar in de tussentijd zijn de Jezuïeten verbannen en hun colleges opgeheven, heeft de Nationale Conventie tijdelijk alle Franse universiteiten afgeschaft, is de Republiek der Letteren verwaterd, heeft Napoleon de helft van de Duitse universiteiten gesloten, hebben de natuurwetenschappen zich losgemaakt van de filosofische faculteit, en in de jaren ’30 en ’40 zijn ook een paar dingen gebeurd die niet bevorderlijk waren voor de studie der humaniora. En toch bestaan de letteren nog steeds. Sterker nog, de lange-termijntrend laat alleen maar een toename zien. Toen Jean Le Clerc schreef waren er ongeveer 1200 geleerden in heel Europa en op het moment is dat het aantal gepromoveerden in de geesteswetenschappen in Nederland sinds 2010. Als de letteren niet in crisis zijn, dan is er pas een probleem.

vrijdag 3 oktober 2014

What books are made of

“What Books are made of. Scholarship and Intertextuality in the History of the Humanities”, in R. Bod, J. Maat & T. Weststeijn (eds.), The Making of the Humanities. Vol. III: The Modern Humanities (Amsterdam University Press 2014)

There is probably no greater joy in scholarship than seeing your first published academic article, in print. This is what happened last night. For a short abstract:

This paper focuses on different types of intertextuality to arrive at a new way of analyzing developments in scholarly method in the humanities. I argue that changing patterns of intertextuality (such as editing, extension, compilation, reference, and citation) are revelatory of changing styles of reasoning. Studying practical and conceptual shifts through types of intertextuality therefore opens a new perspective on the relation between scholarly ideals and practices.
You can find the article here and the full volume (open access) here. It all started with a way-too-long blog post written in a frantic gust of inspiration in May 2012.


maandag 1 september 2014

Vijf boeken

In de reeks "boeken top 5" van Ex Tempore, het tijdschrift vd afdeling geschiedenis RU Nijmegen.


Rond mijn achttiende dweepte ik met het Engelse literaire modernisme. Leerde The Waste Land uit mijn hoofd, las Ulysses drie keer en probeerde chocola te maken van de meertalige, fragmentarische, over-erudiete en vuistdikke Cantos van Ezra Pound. Daarna heb ik nauwelijks meer iets anders dan non-fictie gelezen. Het meest interessante boek dat over deze doodbestudeerde moderne klassieken geschreven is, is zonder meer Hugh Kenner, The Pound Era (1972). Het is een literatuurgeschiedenis die even experimenteel en erudiet is als de erin behandelde auteurs. Kenner beschrijft, meer impressionistisch dan exegetisch, de bronnen van en invloeden op Pound en zijn Cantos en maakt daarmee tegelijk een intellectuele biografie, een literair groepsportret, en een cultuurhistorische achtbaan langs Provençaalse troubadours, Confuciaanse oden,  bedenkelijke economische theorieën, kunstenaarstijdschriften en –manifesten, pre-Renaissance-architectuur, klassieke filologie en vergelijkende taalkunde. Pound’s fascisme blijft een beetje onderbelicht, los van zijn drie weken in een kooi in een Amerikaans interneringskamp na de val van Mussolini, waarna Pound instortte en vervolgens in de ziekenboeg zijn Pisan Cantos schreef.

maandag 21 april 2014

Grote Dikke Boeken

Vandaag in Shells and Pebbles

George Cruikshank, cartoon van James Bateman, The Orchidicaea of Mexico and Guatemala (1837-1843), uit: Lorraine Daston & Peter Galison, Objectivity (New York 2007), p. 25. Onderaan staat: méga biblíon méga kakón ('groot boek, groot kwaad'), een citaat van Kallimachos.



“Goedemiddag, ik had zeven boeken aangevraagd, ik weet niet of ze er al zijn?”

“Jaaaa”, zei de bibliothecaris grinnikend, “die zijn er al”, en keek naar de kar waarop de Description de l’Egypte lag opgestapeld, zeven dozen van 100×70 cm, een stapel van zeker een halve meter hoog. En dit waren dan nog alleen de platen. Ik had eerder omvangrijke werken aangevraagd, maar dit was toch wel de overtreffende trap.

Geleerden in de 18e en 19e eeuw communiceren middels grote dikke boeken. Het is een eigenaardigheid waar je snel aan went maar die het werk er voor de hedendaagse onderzoeker niet makkelijker op maakt, want hoe maak je in godesnaam een vergelijking tussen zeven vier- tot twaalfdelige geschiedenissen van de Franse revolutie, of tientallen laat-18e-eeuwse Duitse tekstboeken en compendia? De Description de l’Egypte is nog relatief doenlijk, want er staan tenminste plaatjes in – meer dan 800, dat wel, maar je kunt ze in één middag doorbladeren. Dat geldt pertinent niet voor de 21 delen van de Vaderlandsche Historie van Jan Wagenaar (supplementen buiten beschouwing gelaten).

Nu zijn er snellere manieren om achter de inhoud te komen, bekend bij elke middelbare scholier en literatuurrecensent: je leest het voorwoord, de inhoudsopgave, de hoofdstukken waar sappige scènes (i.e. controversiële issues) in zouden kunnen staan en een paar besprekingen. Maak het iets wetenschappelijker met een OCR-search naar trefwoorden (vrijwel al die dikke boeken zijn gedigitaliseerd, zij het niet altijd volledig), een inventarisatie van auteurs waarnaar verwezen wordt, een taxonomie van genre-kenmerken en je hebt al een heel aardige indicatie. Dat wil zeggen, van het wat. Het waarom is soms lastiger te bevatten.

maandag 9 september 2013

Een boomdiagram uit 1817

Gisteren op Shells and Pebbles


Soms is facebook nuttig bij je onderzoek, en niet alleen als afleiding. In december postte ik een schema uit Johannes Kinkers Inleiding tot eener wijsgerige algemeene theorie der taalen (1817), met als toelichting: “Universal Grammar or something like it as it was in 1817”. Een bevriende linguïst reageerde: “Stuk leesbaarder dan die rare boomstructuren van Chomsky”. Toen viel bij mij het kwartje. Dit schema is ook een boomstructuur.

En dat is best opmerkelijk, want boomdiagrammen worden vooral geassocieerd met de generatieve taalkunde van Noam Chomsky, die met Syntactic Structures (1957) en Aspects of the Theory of Syntax (1965) wellicht de laatste wetenschappelijke revolutie in de geesteswetenschappen heeft veroorzaakt, en in elk geval de taalkunde totaal heeft veranderd en decennialang gedomineerd. Chomsky heeft die boomdiagrammen weliswaar niet uitgevonden, maar ze wel algemeen gangbaar gemaakt.[1] Dus wat doet een boomdiagram in de “Gedenkschriften, in de Taalkunde, van de Derde Klasse van het Koninklijk-Nederlandsche Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten”?



donderdag 5 september 2013

Het theater kijkt terug

Vijf paragrafen over toneel en representatie

Eerder vandaag in Theaterschrift Lucifer 14.
Daar ook een uitgebreidere versie van mijn eerdere stuk over Eigentijds Maniërisme, en een gesprek over theater en representatie met mijn aanwezige deelname.



I.

In deel III van Modern Painters (1856) introduceert de Engelse criticus John Ruskin het begrip pathetic fallacy: het toeschrijven van gevoelens, intenties, gedachten en dergelijke aan dingen. Rilke bouwde zijn hele poëtica rond dat soort omkeringen: ‘Da ist keine Stelle, die dich nicht sieht’; ‘so, wie selber die Dinge niemals innig meinten zu sein’. De ‘visual theorist’ James Elkins voert die metafoor tot in het extreme door in The Object Stares Back (1996): hij beschrijft kijken als een interactief proces, waarin het bekeken ding zich opdringt aan de kijker. Het ding kijkt terug.


Theater is evenzeer gebouwd op zulke projecties: je schrijft de intenties, twijfels en handelingen van een fictieve ‘Hamlet’ toe aan een figuur op het toneel. Het verschil is dat deze Hamlet wordt uitgebeeld door een mens van vlees en bloed, die van zichzelf al gedachten en intenties heeft, en die ook letterlijk terugkijkt. Zelfs theater dat de illusie wil doorbreken – en dat is vrijwel alle theater sinds Beckett en Brecht – bedient zich van zulke projecties. Er kan geen Verfremdungstheater zijn zonder enscenering, en Laura van Dolron moet verdomd goed acteren om zichzelf te spelen.


vrijdag 29 maart 2013

Conceptual Change in the History of the Humanities

Article which earned me my first peer reviewed rejection, and which I'm now reconsidering for submission at some other journal. It found its way to some readers at least when I posted it on academia.edu and it got noticed on some site called Bookforum.

Abstract

Was there ever a “scientific revolution” in the Humanities, and to what extent is that notion applicable to the Humanities at all? In this article, I formulate various ways in which to answer that question. These options emerge from a discussion of what I identify as the “Standard Account” of developments in the Humanities, the essentials of which are in the work of Foucault, Gadamer, and Berlin. Although the notion has rarely been applied to the Humanities, I argue that the Standard Account  amounts to a description of a scientific revolution. I then proceed to analyze how this Account works as a model and a set of tacit assumptions rather than as an explicit article of faith, point out some of its shortcomings and list some of its critics. This leaves one with four alternatives: 1. in spite of all shortcomings and criticism, the Standard Account is largely correct in its description of a scientific revolution; 2. there was a revolution, but it was different; 3. there were various breakthroughs and more or less revolutionary events rather than one revolution; or 4. there was no revolution at all.

Full version >>

zondag 10 februari 2013

Love to hate the modern world (2005)


Paper I gave in November 2005. It still makes sense.


'A young American called Eliot called me this p.m. I think he has some sense...'
'He has actually trained himself and modernized himself
on his own.The rest of the promising young have done one or the other but never both (most of the swine have done neither). It is such a comfort to meet a man and not have to tell him to wash his face, wipe his feet, and remember the date (1914) on the calendar.' 

 

[Ezra Pound to Harriet Monroe, 22 and 30 September 1914][1]




Something seems to have changed. Half a century after Baudelaire died syphilitic and paralyzed, the Great War breaks loose, and the two key figures of modern English poetry meet. One is a neat and shy young man writing a philosophy thesis, the other an avant-garde extravagant with a grand aristocratic aspect. To be up with the times, by then, has been an imperative for so long that it has devaluated; like everything under capitalism, the avant-garde has become cheap and messy. To be modern, for Pound, is a matter of decency: to be trained and modernized go together. Civilization has become scarce, and must be kept up. The portrait is telling: there is hardly anything about the face that is not imperative.

maandag 4 februari 2013

The Context Dogma

"Context is everything", Robert Darnton recently said. Meaning & Context was the title of the collection of Quentin Skinner's seminal essays on intellectual history, and the series Ideas in Context at Cambridge University Press that followed in its suit now runs to 102 titles. Closing the Communities of Knowledge conference in Oxford last September, Noel Malcolm said that he was glad to have heard so many illuminating case studies rather than three days of theoretical reflections because "it is the contingency of historical facts that always comes first". There was no protest. [I was too shy to speak up.] Contextualism, rather than being a position in the debate on historical interpretation, seems to be an article of pride that forms an essential part of the modern historian's professional ethos. A historian is someone who can "see things in context". On the other hand, "whig history" is one of the worst kinds of invective that historians can hurl at each other short of using the -uck word, and what incenses the profession at large most about the work of Jonathan Israel is his completely decontextualized, anachronistic notion of Enlightenment.

Context is everything. That neatly sums up the problem. You cannot explain anything by an appeal to everything. To be sure, everything has a context; but to make context an all-encompassing notion robs it of all explanatory power. The principle known as "Ockham's razor" teaches us not make any more assumptions than are needed to prove your thesis, and in particular not to "multiply unnecessary fictional entities". But contextualism, in its current shape, massively overgenerates entities to be taken into account - namely, all that is part of the "context" - and in particular creates one immense fictional object - "The Context". Contextualism, in short, has become The Context Dogma.

zaterdag 15 december 2012

Kantian Pasigraphy

Johannes Kinker, Inleiding tot eener wijsgerige algemeene theorie der taalen, Transactions of the Dutch Institute for Arts, Sciences and Letters volume I (1817), p.225

Universal grammar or something like it as it was in 1817. This is a rudimentary parse tree in Johannes Kinker's "Introduction to a philosophical general theory of languages", which pictures sentences as a compound of hierarchically ordered subject-predicate relations. They are indicated under the sample text and in the left-hand margin as (A:B), (a:b), and in Greek and Hebrew a and b.

zondag 4 november 2012

A Paradigm for What?

Review of: Henk Borgdorff, The Conflict of the Faculties: Perspectives on Artistic Research and Academia. Leiden: Leiden University Press 2012; xvii, 277 pp. 
Appeared earlier in Krisis Journal for Contemporary Philosophy 2012:2, 78-82


A lot of ink has been spilled on the Artistic Research Debate. In the United Kingdom, that debate started with Christopher Frayling’s paper Research in Art and Design (1993); in Holland, it set off in 2004 with the  Boekman ‘Art and Science’ issue and the Artistic Research volume in the Lier&Boog series (Balkema and Slager 2004). In both cases, the debate followed shortly upon policy reforms that paved the way for doctorates in the creative and performing arts. There are three sides to that debate: a bureaucratic debate (‘how can we get art recognized – and funded ­– as research?’); a philosophical debate (‘do the arts produce knowledge, and how?’), and an oddly neglected artistic side of the debate (‘what should it be like / where are we going?’). The number of conference proceedings and volumes of essays is now well above a hundred;[1] recent collections that give an overview of the state of affairs are Conomos and Buckley (2009), Biggs and Karlsson (2010), and Elkins (2009). However, apart from the ‘Manifestoes’ of Hannula, Suaronta and Vadén (2005) and Coessens, Crispin and Douglas (2009), a book-length study has been lacking.

dinsdag 15 mei 2012

5x80 Woorden over 80 Words

Sarah van Lamsweerde: 80 Words, 9-13 mei in Het Veem Theater
Eerder vandaag verschenen op hard//hoofd


Stel. Je brengt je woordenschat terug tot 80 woorden. Dat scheelt een hoop opslagruimte. Zoals Battus ooit schreef: waaro zoude w nie d laatst lette va el woor weglate? Je moet dan natuurlijk wel de juiste woorden selecteren: met de meest singuliere hapaxen uit de concordantie kom je niet ver. Maar in het buitenland kun je je aardig redden met drie zinnen: “wat kost dit?”, “dankuwel”, en “waar is het toilet?” Kwestie van turven. Wat zijn de 80 meest gebruikte?

woensdag 14 september 2011

Der Widerstand der Steine

The role of ideals in reasoning (4)

 
I used to think there was a German expression Der Widerstand der Steine ["the resistance of the stones"], which denoted the way in which things prove our theories wrong and resist all too liberal interpretations. An apparent category mistake because it is facts, not things, that disprove other facts. I have been unable to retrieve the reference and it might well be that the expression does not exist, in which case I am introducing it here because it illustrates a by and large neglected aspect of two rather weighty and interrelated problems in epistemology and the philosophy of mind. These two are the logical structure of reality and the mind/mind problem.

woensdag 17 augustus 2011

Jeder Mensch ein Künstler?

The role of ideals in reasoning (3)


Jeder Mensch ein Künstler. The maxim sums up neatly our modern condition: we have to be original. It is no longer morally sufficient, no, it is even morally reproachable, just to be a good citizen or a good Christian or a good ---. For to follow such a readymade moral identity and the guidelines, restrictions and aims that come with it reduces you to someone acting out moral rules. In the kingdom come, we shall all have fifteen minutes of fame.


This predicament, paradoxically, is both democratic and elitist. It is democratic because self-realization is – or at least should be – open to anyone. It is elitist because it requires one to rise above moral restrictions: each man an Übermensch. The compromise is to give each his little space for self-realization and respect that of the other. But this is not a sufficient conception of self-realization: it brackets the motivation for what we are doing and trying to be, and puts our motives and ideals beyond scrutiny. Without a substantial way of reasoning about ends, it reduces us to Nelsons in our own bathtubs.