Posts tonen met het label wetenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wetenschap. Alle posts tonen

woensdag 22 april 2015

Kunst als discussiestuk

Over de zin en onzin van artistic research

Vandaag in Rekto:Verso
(en mede mogelijk gemaakt door een onderzoeksbeurs van R:V)

Er is iets vreemds aan de hand met artistiek onderzoek. De snelheid waarmee het zich vooral eind jaren 2000 heeft verspreid in de kunstwereld en in academia zou een indicatie moeten zijn van een artistieke of wetenschappelijke doorbraak. Maar een Demoiselles d’Avignon, Zwart Vierkant of Brillo Box van het artistiek onderzoek bleef uit, laat staan een e=mc2. Wel waren er eindeloze discussies over wat artistic research zou moeten zijn. Zelfmystificatie ligt op de loer: er wordt een soort status aparte bedongen die alleen maar grotere onduidelijkheid schept over wat het ‘onderzoek’ inhoudt, wat ‘goed’ artistiek onderzoek is, laat staan of de uitkomsten ook waar of onwaar kunnen zijn. Die vaagheid maakt het des te moeilijker om vast te stellen in hoeverre de opkomst van artistiek onderzoek de kunstwereld, de kunstpraktijk en het denken over kunst nu veranderd heeft. Laten we de vraag anders stellen: noem het onderzoek of niet, het gaat erom of en op welke manier de artistieke onderzoeksinfrastructuur bijdraagt aan nieuwe, intelligente, geïnformeerde kunst. 


In 2012 en 2013 gebeurde iets opmerkelijks in kunstland. Het opmerkelijkste was misschien wel dat de kunstpers het eerder vanzelfsprekend dan opmerkelijk leek te vinden: de twee belangrijkste internationale kunstmanifestaties, dOCUMENTA (13) in Kassel en de Biënnale van Venetië, stonden beide in het teken van artistic research. Op zich was dat inderdaad niet opmerkelijk, omdat de term intussen al meer dan twintig jaar rondzingt: Kunstbeeld commenteerde droog dat tegenwoordig alles over artistiek onderzoek gaat. Maar op deze schaal, en in deze publieke context, dat was nieuw.

Over artistiek onderzoek was tot dan toe vooral gesproken intra muros. Er waren minstens zestig symposia met bijbehorende publicaties geweest over wat ‘artistiek onderzoek’ zou moeten zijn, meestal toegespitst op de status van het doctoraat in de kunsten. Maar de daadwerkelijke uitkomsten, voor zover daar sprake van was, waren vooral te zien geweest in academietheaters, projectruimtes en presentatie-instellingen, niet in musea en op festivals, en meestal meer als permanent work in progress dan als tentoonstellingsstuk.
Moeten we Kassel en Venetië zien als een keerpunt, het moment dat artistiek onderzoek eindelijk aan de oppervlakte kwam? Je kan de vraag ook anders formuleren: in hoeverre leidt artistiek onderzoek, bij alle onduidelijkheid over wat dat inhoudt, tot een nieuw soort kunst?

dinsdag 14 april 2015

Louise, rot op

Vandaag in hard//hoofd
Beeld: Céline Talens



De kop spreekt voor zich. Het bestuur van de UvA heeft de ME ingezet om studenten uit het Maagdenhuis te jagen, terwijl die bezig waren met een vreedzaam ‘wetenschapsfestival’ met lezingen en workshops, en de bezetters toch al hadden aangekondigd daarna weg te gaan. Het leverde in elk geval de memorabele beelden op van gepantserde agenten die een lezing over de universiteit in de middeleeuwse samenleving verstoren en van docenten die buiten in de regen doorgaan met spreken met een kordon politiepaarden in hun rug. Wie nu nog denkt dat het College van Bestuur opkomt voor de belangen van de academische gemeenschap, lijdt aan cognitieve dissonantie.

De ontwikkelingen van afgelopen week waren ronduit verwarrend. Eerst leek er op dinsdagavond een akkoord over vreedzaam vertrek te zijn. De ochtend daarop lieten de bezetters, of een radicaal deel daarvan, weten dat er géén akkoord was, dat de acties op andere wijze door zouden gaan en dat ze voor de vierde keer het vertrek eisten van het College van Bestuur. Het bestuur reageerde door naar de rechter te stappen. Diezelfde dag verscheen een tweede, veel redelijker verklaring waarin werd opgesomd waar de bezetting goed voor geweest was en een waardig afscheid beloofd werd. Dat waardige afscheid heeft het CvB hen niet gegund.

Dat het CvB als pressiemiddel naar de rechter stapte valt nog te begrijpen. De eerste verklaring van De Nieuwe Universiteit was inderdaad een schoolvoorbeeld van onredelijke, verongelijkte zij-zijn-slecht-retoriek. Ik overwoog even het rode vierkantje van mijn revers te halen. Maar het machteloze, zinloze machtsvertoon van afgelopen weekend maakt met terugwerkende kracht zelfs de meest opgefokte rot-op-retoriek gerechtvaardigd. Ondertussen hebben ook meer dan 300 UvA-medewerkers per open brief het aftreden van Louise Gunning en kompanen bepleit. Ik heb daar weinig aan toe te voegen. Louise, wees redelijk en rot op.

donderdag 8 mei 2014

Joys of Scholarship

For a while now, I have been posting anecdotes and images from the history of scholarship on facebook under the hashtag #joysofscholarship. As the collection has been growing steadily, I have now started a page to collect my clippings: Joys of Scholarship. Everybody with even a slight taste for bookdust is invited to contribute. As a pet image, I have chosen Oannes, the Babylonian deity with the head of a fish and the body (or voice) of a man, who rose out of the sea to teach mankind the arts and sciences.

https://www.facebook.com/Joysofscholarship


(Anthony Grafton describes how 16th century scholarly superstar Joseph Scaliger encountered him in a 9th century world chronicle quoting Berosus' Babyloniaca: "Traditions of Invention and Inventions of Tradition in Renaissance Italy: Annius of Viterbo" in Defenders of the Text, pp. 76ff.)

maandag 21 april 2014

Grote Dikke Boeken

Vandaag in Shells and Pebbles

George Cruikshank, cartoon van James Bateman, The Orchidicaea of Mexico and Guatemala (1837-1843), uit: Lorraine Daston & Peter Galison, Objectivity (New York 2007), p. 25. Onderaan staat: méga biblíon méga kakón ('groot boek, groot kwaad'), een citaat van Kallimachos.



“Goedemiddag, ik had zeven boeken aangevraagd, ik weet niet of ze er al zijn?”

“Jaaaa”, zei de bibliothecaris grinnikend, “die zijn er al”, en keek naar de kar waarop de Description de l’Egypte lag opgestapeld, zeven dozen van 100×70 cm, een stapel van zeker een halve meter hoog. En dit waren dan nog alleen de platen. Ik had eerder omvangrijke werken aangevraagd, maar dit was toch wel de overtreffende trap.

Geleerden in de 18e en 19e eeuw communiceren middels grote dikke boeken. Het is een eigenaardigheid waar je snel aan went maar die het werk er voor de hedendaagse onderzoeker niet makkelijker op maakt, want hoe maak je in godesnaam een vergelijking tussen zeven vier- tot twaalfdelige geschiedenissen van de Franse revolutie, of tientallen laat-18e-eeuwse Duitse tekstboeken en compendia? De Description de l’Egypte is nog relatief doenlijk, want er staan tenminste plaatjes in – meer dan 800, dat wel, maar je kunt ze in één middag doorbladeren. Dat geldt pertinent niet voor de 21 delen van de Vaderlandsche Historie van Jan Wagenaar (supplementen buiten beschouwing gelaten).

Nu zijn er snellere manieren om achter de inhoud te komen, bekend bij elke middelbare scholier en literatuurrecensent: je leest het voorwoord, de inhoudsopgave, de hoofdstukken waar sappige scènes (i.e. controversiële issues) in zouden kunnen staan en een paar besprekingen. Maak het iets wetenschappelijker met een OCR-search naar trefwoorden (vrijwel al die dikke boeken zijn gedigitaliseerd, zij het niet altijd volledig), een inventarisatie van auteurs waarnaar verwezen wordt, een taxonomie van genre-kenmerken en je hebt al een heel aardige indicatie. Dat wil zeggen, van het wat. Het waarom is soms lastiger te bevatten.

maandag 3 juni 2013

Zeg het met muzen

Het verdwijnen van de allegorische voorplaat
eerder vandaag op Shells and Pebbles

In de achttiende eeuw was het niet ongebruikelijk geleerde werken vooraf te laten gaan door een allegorische voorplaat. Deze frontispieces bevatten, naarmate het genre zich ontwikkelde en de prenttechniek verbeterde, steeds complexere composities vol bijbelse, mythologische en soms ook hermetische verwijzingen, die als een zoekplaatje de inhoud samenvatten. Maar vanaf medio achttiende eeuw versoberden de afbeeldingen en verdween het allegorische karakter ervan. Veranderende mode of een andere opvatting van wetenschap?

Het eerste hoofdstuk van Giambattista Vico’s Scienza Nuova (derde editie, 1744) is in zijn geheel gewijd aan het uitleggen van de voorplaat. In de recente Penguin-vertaling beslaat die toelichting 29 pagina’s. Er is inderdaad ook wel enige uitleg bij nodig om te zien hoe dit zoekplaatje een allegorische weergave is van het “idea dell’opera”, zoals het hoofdstuk heet. Het is tekenend dat Vico, die driekwart van het oorspronkelijke manuscript wegliet omdat hij de drukkosten niet kon opbrengen en zijn enige waardevolle erfstuk (een gouden ring) verpatste om de eerste editie te financieren, wel bereid was om de niet geringe kosten van een gegraveerde voorplaat op te hoesten.

Frontispiece van Giambattista Vico's Scienza NuovaVoorplaat bij Giambattista Vico, Scienza Nuova (1744)

donderdag 20 december 2012

Vertoog over de Universiteiten, 1809

Het Vertoog over de Universiteiten werd opgesteld in opdracht van Lodewijk Napoleon door een commissie van vier wijze heren, met het oog op de broodnodige hervorming van het NL onderwijs. Toch komen de voorstellen vooral erop neer alles bij het oude te laten.


 Het Latijn wordt gehandhaafd als taal voor het academisch onderwijs (terwijl dit in Duitsland en Frankrijk allang was afgeschaft), de universiteiten van Harderwijk en Franeker moeten niet worden opgeheven (dat zou na de Franse tijd alsnog gebeuren), de universiteiten hoeven niet op te gaan in de Université Imperiale, en hoewel de katholieken gelijke rechten krijgen, worden er vooral gekunstelde constructies bedacht om te zorgen dat er geen twee confessies in de theologische faculteit belanden.

dinsdag 24 januari 2012

Kunst als wetenschap?

Artistic research als revolutie van bovenaf
eerder vandaag verschenen in hard//hoofd online tijdschrift voor kunst en journalistiek


Toen ik in 2007 afstudeerde in de kunstfilosofie, had ik nog nooit van artistic research gehoord. Uitzonderlijk was dat niet: het was een ontwikkeling die zich grotendeels binnen de kunstacademies afspeelde, en waar je weinig over hoorde als je alleen de kunstrubriek las en zo af en toe naar het Stedelijk Museum ging. Twee jaar later bleken bij een discussie over disciplinevorming aan de Universiteit Leiden, de aanwezige wetenschapsfilosofen en -historici niet te weten dat diezelfde universiteit ondertussen doctorsgraden in de kunsten verleende. Kort daarna schreef Lien Heyting een lang artikel in NRC Handelsblad over Hooggeleerde Kunstenaars, en sindsdien is het fenomeen ook bovengronds bekender.

Research is het nieuwe modewoord in de kunstwereld geworden. De Rijksakademie zet groot op haar persmap: ‘research in the visual arts’, het dansgezelschap Emio Greco | PC presenteert zich nu als een ‘interdisciplinair onderzoekscentrum’, Dansmakers Amsterdam noemt haar werkplaatsen ‘research residencies’, en een kunstenaarsgarage in Amsterdam-Noord noemt zich de Rhizomatic Project Space for Artistic Research. Zelfs in het Allard Pierson Museum hangen tegenwoordig foto’s van Etruskische graven, geschoten door een artistiek onderzoeker. Prima foto’s verder, maar wat wordt er nou eigenlijk bedoeld met ‘artistiek onderzoek’?

dinsdag 29 maart 2011

Becoming Transnatural

Becoming Transnatural, 4 maart - 1 april, Trouw Amsterdam.
Symposium: 12 maart. 


Biotechnologie is hot, ook in de kunsten. Zoals altijd wanneer er nieuwe technieken en materialen beschikbaar komen zijn er kunstenaars die ze gebruiken waar ze niet voor bedoeld zijn: zo liet Eduardo Kac een lichtgevend konijn maken met behulp van kwallengenen; liet Stelarc een oor op zijn arm zetten; en injecteert Yann Marussich zichzelf met een blauwe vloeistof die er vervolgens via zijn poriën en andere openingen weer uitloopt. Daarbij maken ze gebruik van technieken die ook worden gebruikt om tumoren te lokaliseren en exotransplantaties mogelijk te maken, maar die vooral het nieuws halen in de vorm van doorzichtige muizen en muizen met een mensenoor op de rug. De reacties daarop zijn dan ook vergelijkbaar: dit is geen kunst, dit is een freakshow! Dit is geen wetenschap, dit is een PR-stunt!

woensdag 30 april 2008

The Cubic Sphere

Dit stuk sluit aan bij het vorige, onder de titel Arts in Action. Het idee dat hier te berde wordt gebracht onder de titel The Cubic Sphere is minstens even oud, maar omdat de gedachten erover weer begonnen te borrelen na een gesprek met Tine Wilde en twee symposia waaraan René Gabriëls deelnam, is het niet misplaatst om hun ideeën hier als kapstok te gebruiken.


The Cubic Sphere

René Boomkens en René Gabriëls pleiten in Krisis (#4, 2007) voor 'Filosofie als vrijmoedige kennispolitiek'. Filosofen zouden zich niet alleen moeten richten op vakgenoten maar zich ook in de arena van het publieke debat moeten werpen, betogen zij, en de manier waarop universiteiten onderzoek belonen en aansturen maakt dat steeds moeilijker. Die beoordelings- en beloningsstructuur legt namelijk aanzijdig de nadruk op peer-reviewed bijdragen in internationale, Engelstalige tijdschriften.
Dit zien Boomkens en Gabriëls als een verarming van de filosofie én van het publieke debat. De kritische rol die filosofen kunnen vervullen ten opzichte van andere wetenschappen, ten opzichte van de maatschappij en vooral met de blik op de relatie tussen die twee, blijft onvervuld; prominente publieke denkers als Scheffer, Verbrugge, Cliteur en Van Middelaar maken zich eerder dienstbaar dan dat ze nieuwe kritische perspectieven openen. Alsof dat nog niet erg genoeg is, zijn er ook nog eens door de overheid ingekapselde instanties als het SCP en de WRR, die het vervullen van deze rol eerder hinderen dan dat ze hem zelf vervullen. Boomkens en Gabriëls nemen nog net niet de frase 'Het verraad der klerken' in de mond, maar voelen zich duidelijk in de steek gelaten door hun vakbroeders, door universiteitsbestuurders en door de overheid. Er is weinig dat deugt en veel dat niet deugt.

'Kritisch' zijn, beseffen Boomkens en Gabriëls zelf ook, is op zich niet genoeg: je moet het ook nog ergens over hebben. Daarom pleiten zij voor een 'vrijmoedige kennispolitiek' die niet zozeer aansluiting zoekt bij de vakwetenschap, maar zich te verstaan geeft met hoe er in verschillende terreinen van wetenschap kennis gemaakt wordt, en hoe en wie deze kennis macht geeft. 'Vrijmoedig' omdat filosofen daarbij hun nek moeten uitsteken, tegen het gezag van experts moeten ingaan, onwetenschappelijke lompheden moeten incasseren, en zelfs de hand bijten die hen voedt. Boomkens en Gabriëls gebruiken hiervoor het begrip Parrèsia, ontleend aan een apocrief boek van Foucault en eerder aangehaald door Leezenberg in De vloek van Oedipus: een waarheid uitspreken met eigen gevaar.

(Klik hier voor mijn recensie van De vloek van Oedipus, Cimedart 37 #1, pp. 16-18)

Ik blijf dit alles te vrijblijvend vinden. Zelf heb ik, in mijn scriptie, gepleit voor filosofie als het systematisch en kritisch ontwikkelen van idealen; maar zoals het in Krisis staat, is 'Filosofie als vrijmoedige kennispolitiek' eerder een pleidooi voor een vrijplaats voor de betweters dan voor de verbeelding aan de macht. Hoewel Boomkens en Gabriëls verwijzen naar Ruth Sondereggers onderzoek naar de betekenissen van 'kritiek', en naar het lexicon van de subversiviteit, is de onderzoeksagenda van hun vrijmoedige kennispolitiek eerder die van science studies. Dat is nog geen recept voor kritische vergezichten, laat staan voor nieuwe idealen. Ze maken zich kwetsbaar voor het verwijt: 'ze willen gewoon de Centrale Interfaculteit terug'.

Tine Wilde, een kunstenares en UvA-promovenda wiens proefschrift aan een artistiek project verbonden is, loopt ondertussen rond met plannen voor een interdisciplinair/filosofisch instituut waar projecten die niet binnen de gangbare onderzoekstrajecten passen een plek zouden kunnen vinden. Het is moeilijk om hier al commentaar op te geven, omdat er (zover ik weet) geen publiek toegankelijk document is om naar te verwijzen, maar ze heeft zeker een punt dat de huidige 'interdisciplinaire' instituten en programma's nog een ruimte open laten. De meeste beoefenen vooral een soort van science studies die een allegaartje aan menswetenschappen toepassen op een rijtje exacte wetenschappen. Daartegenover staan figuren als André 'Studium Generale' Klukhuhn, die boeiende maar vrijblijvende essayistiek bedrijven. Wat hier ontbreekt is wat Boomkens en Gabriëls aanprijzen als 'Nieuwe Kritische Theorieën', die 'tonen dat de wereld niet zo hoeft te zijn zoals die is'.
De vraag is of dit ook is wat Tine Wilde voor ogen staat. Zo ja, dan is de tweede vraag of een nieuw instituut wel de beste manier is om dit te bewerkstelligen. Je kunt niet als onderzoeksprogramma hebben: 'wij produceren Nieuwe Kritische Theorieën'.


De verkokering van vakspecialismen, die Boomkens en Gabriëls zo beklagen, komt niet alleen onder filosofen voor. Het is, ten dele, een onvermijdelijk gevolg van kennistoename, concurrentie en academische arbeidsverdeling. Maar dat betekent niet dat er niets aan te doen valt. Er is niet zozeer een nieuw filosofisch instituut of een nieuwe manier van filosofie bedrijven nodig, als een uitwisseling van ideeën die niet in het eenrichtingsverkeer van de 'populaire wetenschap' blijft steken.
'Laten zien dat de dingen dat de dingen niet zo hoeven te zijn als ze zijn' is niet het privilege van filosofen. In zekere zin is het wat wetenschappers in het algemeen doen, door met nieuwe vaststellingen ook nieuwe mogelijkheden en ongewisheden te openen. Maar filosofen hoeven niet braaf op het goede nieuws te wachten en de implicaties voor het wereldbeeld eruit af te leiden. Boomkens en Gabriëls hebben zeker gelijk als ze pleiten voor een 'vrijmoedige kennispolitiek' die de productie van kennis onder het licht houdt. Het probleem alleen is dat dit meestal neerkomt op omkering van het eenrichtingsverkeer. Een verdwaalde psycholoog of linguist wil nog wel eens een filosofische observatie ter harte nemen, maar juist in de vakgebieden die het meest onderwerp zijn van science studies is filosofie iets voor buiten het lab.
Er is behoefte aan een orgaan dat het mogelijk maakt om ideeën uit te wisselen met zo min mogelijk concessies aan de inhoud. Een lovenswaardig voorbeeld is de Academische Boekengids, uitgegeven door de universiteiten van Amsterdam, Utrecht, Groningen en Leiden. Als wetenschappers dankzij zulke podia niet meer naar hun publiek op zoek hoeven, bespaart dat een hoop opa-vertelt en kijk-eens-hoe-leuk-het-is, waaraan bijvoorbeeld de op dit blog recent besproken boeken leden.

Alleen, in de Academische Boekengids staan nog geen 'Nieuwe Kritische Theorieën'. Of, om in mijn eigen vocabulair te blijven, er worden geen nieuwe idealen in ontwikkeld. Dat is toch echt een vak op zich. Je kunt er alleen moeilijk een instituut voor oprichten. Waar ik voor pleit, is iets onmogelijks: een instituut dat geen instituut is, dat op wetenschappelijke basis idealen voortbrengt (dat wil zeggen, 'laat zien dat de wereld niet hoeft te zijn zoals dat die is'). Vandaar die titel: The Cubic Sphere.

Hoe moet deze onmogelijkheid er dan uitzien?

Om te beginnen: als een e-tijdschrift met forum. Het eerste wat nodig is, is een plek waar mensen hun ideeën kwijtkunnen. Dit tijdschrift moet wel een degelijke redactie erop nahouden, maar het is ook bedoeld als plek waar juist mensen die buiten de gangbare onderzoekstrajecten vallen hun resultaten kwijt kunnen. Die twee dingen hoeven niet met elkaar in tegenspraak te zijn.

Vanuit deze basis kunnen lezingen en bijeenkomsten georganiseerd worden, en later ook papieren publicaties voortkomen. Anders dan Boomkens en Gabriëls, die 'maatschappelijk relevant' gelijkstellen aan 'geschreven in de eigen taal', zou ik juist pleiten voor meertaligheid: het gaat erom een soort van plug-in formule te ontwikkelen, waardoor overal los-vast aan het tijdschrift verbonden activiteiten kunnen worden opgezet. Daarom ook de Engelse, maar vertaalbare titel 'The Cubic Sphere'.

De derde stap is het faciliteren van eigen onderzoek. Er hoeft niet per se een instituut voor worden opgericht, als er maar een organisatie is die geld bij elkaar kan brengen. Dat geld hoeft niet op te gaan aan prestigieuze leerstoelen: het is belangrijker om promotie- en onderzoeksplaatsen te scheppen voor filosofen met een wetenschappelijke, en wetenschappers met een filosofische oriëntatie. The Cubic Sphere is eerder een fonds dan een instituut.

*

Over het ontwikkelen van idealen valt meer te lezen in mijn scriptie over de rol van idealen in het redeneren, en in de hierboven geposte bewerking tot artikel daarvan.

maandag 28 januari 2008

Floris Cohen herschept de wereld

Floris Cohen en Steven Shapin hebben beiden ooit een boek geschreven met de titel The Scientific Revolution. Het kan haast niet anders of dit zijn twee compleet verschillende boeken. En inderdaad.
Floris Cohen, die eerder in Quantifying Music concludeerde dat de 17e-eeuwse 'wetenschap van de muziek' gelukkig weinig invloed heeft gehad op de muziekpraktijk, maakt eerst een overzicht van verschillende opvattingen van de wetenschappelijke revolutie, om deze vervolgens te toetsen door vergelijking met de Arabische en Chinese geschiedenis. Het idee daarachter is dat er bepaalde redenen moeten zijn waarom daar geen wetenschappelijke revolutie is opgetreden, en dat je door die redenen te achterhalen beter kunt begrijpen wat 'de wetenschappelijke revolutie' nu eigenlijk was.
Steven Shapin ziet dat als een misplaatste vorm van essentialisme, alsof er zoiets is als 'Wetenschap', gedefiniëerd door een 'Wetenschappelijke Methode'. There was no such thing as the Scientific Revolution, and this is a book about it. Voor Shapin is het onzin om van een 'revolutie' te spreken als misschien honderd tijdgenoten de Principia van Newton lazen, en nog minder het begrepen. Natuurlijk is de wereld ingrijpend veranderd door het werk van Newton en zijn voorgangers en navolgers, maar het helpt niet om die verandering te verklaren vanuit de ontdekking van een methode of een breuk in het paradigma. Telescoopkijken en differentiaalrekenen is al moeilijk genoeg.

Floris Cohen heeft nu zijn opvattingen uiteen gezet voor de Nederlandse krantlezer in een nieuw boek, De herschepping van de wereld, ter voorbereiding op het omvangrijkere en engelstalige How Modern Science came into the World, dat over een goed jaar moet uitkomen.
Cohen ergert zich duidelijk flink aan de 'radical chic' van Steven Shapin - alsof het bevredigend is om de ontwikkeling van de moderne natuurwetenschap te omschrijven als een verandering van een scala aan sociale praktijken. Alsof het allemaal vanzelf gaat! "Als u, lezer, meer dan zeg twee eeuwen eerder was geboren", begint hij dreigend, "is de kans groot dat u arm geweest zou zijn, erg arm zelfs". Het punt van de wetenschappelijke revolutie is volgens Cohen niet zozeer dat mensen aan het wetenschapperen slaan. Dat deden ze in de Oudheid ook al, en in China, en in het Kalifaat, en in middeleeuws Europa. Maar steeds weer eindigden die opbloeiingen na een of twee eeuwen in een onvermijdelijke neergang, en de boer die ploegde voort. De vraag is: waarom gebeurde dat in het moderne Europa niet?

Daarmee stelt Cohen een uiterst zinnige vraag, waar Shapin al te gemakkelijk aan voorbij gaat. 'Scientific facts require upkeep', heeft Bruno Latour al eens vastgesteld. Het is een ding dat je gaat onderzoeken en meten, maar het wordt pas een wetenschap als anderen je resultaten reproduceren en uitwerken. Ook al bevindt het zich in een bibliotheek, wanneer er geen aanleiding is om het onderzoek voort te zetten is neergang een volkomen natuurlijk gevolg. En aangezien er nogal een kloof gaapt tussen wetenschappelijk pionierswerk en maatschappelijk nut - er is geen mens genezen door Harvey of Vesalius, en Galilei's ballistiek heeft pas twee eeuwen later betere kanonnen opgeleverd - had die neergang net zo goed in de 17e eeuw kunnen optreden, eventueel geholpen door godsdienstoorlogen en plunderende Turken.
"Europa is door het oog van de naald gekropen", stelt Cohen vast. Als de Dertigjarige Oorlog was blijven doorwoeden, en de Engelsen niet hun eigen oorlog van allen tegen allen hadden gestaakt, en als de heren vorsten niet van het financieren van wetenschappers een prestige-project hadden gemaakt waarvan het toekomstige rendement onzeker was, dan had de doorbraak van Newton nooit kunnen plaatsvinden. En dan nog was er een fanatieke mafkees in Cambridge voor nodig, die niet tevreden was met briljante ingaven zoals Robert Hooke, of met betrouwbare benaderingen zoals Christiaan Huygens, om tientallen jaren met gekmakende precisie aan zijn optica en zijn duistere gravitatieconstanten te meten en rekenen, tussen de alchemie door.

In Quantifying Music omschrijft Cohen zijn doelstelling als "reconstructing the problem situation in the science of a given period", waarbij hij zich op Popper beroept. In De herschepping van de wereld resulteert dit in een beschrijving van verschillende manieren van wetenschap bedrijven die opmerkelijk overeenkomt met Shapin's 'diverse practices': er is een speculatief-theoretische benadering, een metende-en-rekenende, en een mechanisch-experimentele. Dat die benaderingen volgens Cohen samen zijn gekomen in het werk van Newton, betekent niet dat hij gelooft in een uniforme 'wetenschappelijke methode' - eerder gelooft hij dat het een paradigma in de praktische zin van 'voorbeeld' was.
Wat benadrukt wordt, is hoe weinig die verschillende benaderingen oorspronkelijk gemeen hadden, en hoe toevallig het eigenlijk was dat ze uiteindelijk in dezelfde richting leidden. Cohen begint zijn verhaal met de tegenstelling tussen Athene (een Babel van filosofische speculaties) en Alexandrië (waar het meten en rekenen zich beperkte tot een aantal erkende problemen). Die tradities liepen allebei tegen hun grenzen op en moesten een aantal keer later in de geschiedenis opnieuw 'geïmplanteerd' worden - in het kalifaat van Bagdad, door de vertalers van Toledo, en in renaissancistisch Italië - om nog tot nieuwe resultaten te leiden. Een trendwatcher anno 1600, aldus Cohen, had niet kunnen verwachten dat deze tradities tot revolutionaire nieuwe inzichten zouden leiden, en zelfs als dat tóch gebeurt, bij Descartes en Galilei, blijven beiden in hun eigen straatje steken: doodleuk spreekt Cohen van 'Athene-plus' en 'Alexandrië-plus'.

Maar zo'n volslagen toevallige samenkomst van omstandigheden kan het bij Cohen nou ook weer niet zijn, dat hier uiteindelijk toch de moderne natuurwetenschap uit voortkomt: het is hem er immers om te doen, waarom de wetenschappelijke revolutie zich in Europa heeft voorgedaan en niet in Bagdad of Peking. Met die doelstelling loopt hij het risico van Whig History - de 'context of discovery', met al zijn toevalligheden en onwaarschijnlijkheden, dient dan toch als rechtvaardiging.
Cohen lijkt zich opnieuw op Popper te beroepen, als hij stelt dat "er in zijn vakgebied meer gedaan zou kunnen worden met historische vergelijking", als methode van toetsing. Als dat zijn bedoeling is, dan zal hij met De herschepping van de wereld weinig Popperianen overtuigen. Zijn historische vergelijkingen monden uit in niet-falsificeerbare verklaringen: Europa brengt de moderne wetenschap voort omdat er zo'n scherpe concurrentie tussen verschillende staten bestaat en de blik zo avontuurlijk naar buiten gericht wordt, terwijl het zelfvoldane China in zijn historische overzicht vanaf de Han-dynastie alleen nog maar bezig is met 'uitbouw en verfijning', de Arabische beschaving onder invloed van Mongoolse, Turkse en Berberse invasies 'naar binnen keert', en de verder niet genoemde Indiërs worden geknecht door het 'extreem introverte' Hindoeïsme. Het valt te hopen dat hij in How Modern Science came into the World met iets beters komt dan dit sociaal-darwinistische pleidooi voor concurrentie en ondernemendheid.

Wat is nu precies het verschil tussen Cohen's herschepping van de wereld en Shapin's revolutie die niet plaatsvond? Nuchter beschouwd zijn ze het op meer punten eens dan oneens: wetenschap heeft de wereld ingrijpend veranderd, maar dat heeft wel een tijdje op zich laten wachten; daarbij hebben verschillende benaderingen een rol gespeeld, die niet te reduceren zijn tot één wetenschappelijke methode; natuurwetenschappers hebben geen exclusieve claim op rationaliteit; en de wetenschapshistoricus moet uitgaan van de stand van de wetenschap in de besproken periode. Cohen is op dat laatste punt wat minder consequent, hij redeneert onvermijdelijk naar het resultaat toe, maar daar staat tegenover dat hij geen verklaringen ophangt aan het niet-begrip 'sociale context'. En Shapin stelt dat de vroege wetenschap juist wel degelijk praktische consequenties had, niet zozeer door toepassing van de verworven inzichten als door de spin-off van nieuwe technieken. Cohen benadrukt (met goede redenen) de bijdrage van Hollanders als Beeckman, Stevin en Huygens. Maar dat zijn eigenlijk nuance-verschillen: grotendeels beschrijven ze dezelfde gebeurtenissen met dezelfde hoofdrolspelers. Revolutie, geeft Cohen toe, is ook maar een woord.

De vraag is niet zozeer, of de wereld door de wetenschap 'herschapen' is, maar wat wetenschapsgeschiedenis kan leren over begripsverschuivingen en het al dan niet bestaan van 'wereldbeelden'. Ian Hacking, die net als ik niet in wereldbeelden en sociale constructies gelooft, heeft hiervoor uiterst interessante suggesties gegeven in Historical Ontology. Hacking pleit ervoor het idee van epistemische breuken of paradigma-wisselingen te vervangen door dat van verschuivende 'styles of reasoning', vervlochten met instituties en praktijken, waarbinnen "we constitute ourselves as objects of knowledge, as subjects, and as moral agents".
Wat Hacking niet doet, is die analyse van 'styles of reasoning' in verband brengen met Sellars' idee dat betekenissen en concepten thuishoren in de 'space of reasons'. Het zou nou juist een uitdaging voor wetenschapshistorici moeten zijn, dit uitgangspunt van Sellars te toetsen aan de werkelijkheid - door te kijken hoe vormen van 'verwetenschappelijking' leiden tot conceptuele verschuivingen. Want processen van verwetenschappelijking en daaraan verbonden instutionalisering hebben zich niet alleen in natuurwetenschap en techniek voorgedaan. In hoeverre bijvoorbeeld politiek en economie, maar ook taal, geschiedenis en kunst 'verwetenschappelijkt' zijn, en wat voor gevolgen dat heeft gehad voor conceptformatie en manieren van redeneren, is een open vraag.

Cohen, H.F.: De herschepping van de wereld. Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard, Bert Bakker, Amsterdam 2007; 299 pp.
------: The Scientific revolution. A Historiographical Inquiry, Chicago UP, Chicago & London 1994; 662 pp.
------: Quantifying Music. The Science of Music at the First Stage of the Scientific Revolution, 1580-1650, Reidel, Dordrecht 1984; 308 pp.
Shapin, S.: The Scientific Revolution, Chicago UP, Chicago & London 1996; 218 pp.
Hacking, I.: Historical Ontology, Harvard UP, Cambridge (MA) & London 2002; 288 pp.

zondag 7 oktober 2007

Wat levenservaring genoemd wordt (update)

In elk geval, een groter deel van je leven vergeten te zijn. Dat blijkt overtuigend uit onderzoek dat Douwe Draaisma aanhaalt in een artikel in NRC wetenschap, vanwege auteursrecht helaas alleen voor abonnees te vinden op http://www.nrc.nl/digitaleeditie (dit weekend, pag. 41).
80- en 100- jarigen blijken scherpere herinneringen te hebben van hun jeugd dan van hun recente verleden, en wel dusdanig veel scherper dat bijvoorbeeld een Zeeuwse begint te huilen bij de herinnering aan de Watersnood van 1906, maar niet veel meer bijstaat van die 1953. Een andere proefpersoon doet haar leven na de jaren '30 af met een paar zinnetjes: "En verder is er niet zoveel meer gebeurd."
Afgaande op de grafiek van het 'percentage herinneringen' (hoe is dat gemeten?) komt er na je veertigste niet veel meer bij.

Ik heb nog niet het artikel teruggevonden waarin, als troost, wordt beweerd dat misschien je leervermogen afneemt als je ouder wordt, maar je besluitvermogen toeneemt, juist omdat de besluitvorming steeds meer 'intuïtief' plaatsvindt, en de relevante informatie steeds meer buiten bereik van bewustzijn en geheugen worden opgeslagen. (Geen onzin, het blijkt dat spontane beslissingen niet minder 'rationeel' zijn dan weloverdachte, in kosten-baten uitgedrukt.) In dat artikel stond o.a. de boude claim dat 100.000 x meer informatie onbewust dan bewust verwerkt werd. Een groter deel van je leven vergeten te zijn kan dus tot voordeel strekken. Als je de krant moet geloven, en mijn geheugen.