vrijdag 20 juni 2008
Dandy Prince and the Ping Pong King
duur: 4'47"
Dandy Prince and the Ping Pong King werd geschreven in de laatste week van januari 2006, en voor het eerst voorgedragen op 6 maart 2006 bij het 'Cultureel Revolté' van Radio Patapoe. Dankzij www.archive.org is de tekst nu integraal te beluisteren.
Omdat het een vrij omvangrijke tekst is, zet ik hem niet in deze post; klik hier voor een pdf.
vrijdag 2 mei 2008
Pas op met trappen en heksen
Trap op en trap af
Trap op
    en trap af
maar pas op
    dat je niet valt
want dan plof!
    ben je plat
Door de schoorsteen omhoog
langs de regenpijp
    weer naar beneden
de eerste de tweede
    de derde verdieping
en dan naar het dak!
    Heen en weer
door het huis
    op en neer
maar een keer
    blijf je haken
en dan doe je smak!
Op de zolder spookt het spook
    van opa’s opa.
In de kelder ligt grootmoeders graf.
    Op het dak
houden de katten een debat.
    In de gangkast zit je zusje
tien jaar lang voor straf!
In de snoepjes zit gif
    en een valluik in de lift.
Pas maar op voor de heks
    die je tante eigenlijk is.
En je grootmoeder kookt
    (want ze is niet echt dood)
levende ratten in kattenpis!
Dus pas op dat je niet blijft haken
    heen en weer
    het huis op en neer
want wanneer je niet goed oplet
moet je zonder eten naar bed!
donderdag 1 mei 2008
Over de rol van idealen
Zoals iedere eerstejaars leert, heeft Wittgenstein ons geleerd dat de betekenis van een woord in zijn gebruik ligt. De vraag die dan voor de hand ligt, is hoe je weet hoe je een woord moet gebruiken. Het woord ‘konijn’ is geen konijn, en mijn voorstelling van een konijn is ook geen konijn. Hoe weet ik dan dat ik iets een ‘konijn’ kan noemen? Daarover leer je, als je meer vakken taalfilosofie volgt, dat Wittgenstein heeft gezegd:
Hedendaagse taalfilosofen hebben drastische consequenties uit deze wijze lessen getrokken. Zo stelt Richard Rorty in Philosophy and the Mirror of Nature (1979) dat het doel van filosofie niet het vinden van de ultieme waarheid moet zijn – het zijn maar taalspelen – maar het leveren van gespreksstof: hij noemt dit Bildung. John McDowell gebruikt in Mind and World (1994) hetzelfde woord om aan te geven dat er niks problematisch is aan de verhouding tussen onze concepten en de wereld, zolang je er maar vanuit gaat dat onze leefwereld toch al van concepten doordrongen is, geen kale realiteit waar we onze concepten op toepassen maar een ‘tweede natuur’ waarin we opgroeien. Onze geest, zegt McDowell, zit niet in ons hoofd. Hij vergelijkt het verwerven van concepten met het ontwikkelen van een ethisch karakter, iets wat we ook niet in ons eentje doen.

Blijkbaar is Bildung een bijzonder woord, want als je het gebruikt, zijn er geen filosofische problemen meer. Alleen: wat bedoelen ze er mee? Zoals Rorty en McDowell het gebruiken, komt het er op neer dat je alles in z’n culturele context moet zien: ondanks alle diepzinnige connotaties, betekent ‘Bildung’ bij hen simpelweg acculturatie. Blijkbaar hebben ze behoefte aan een begrip dat meer suggereert. En daar schuilt een probleem in. Het is namelijk een vaag begrip, en het ‘in context zien’ maakt het alleen maar vager. Juist de behoefte aan zulke functioneel vage begrippen duidt erop dat het niet allemaal voor zich spreekt als je het in context ziet. De vraag is, hoe zulke begrippen betekenis krijgen, en wat voor rol ze spelen in het redeneren.
Taalfilosofen hebben zich niet veel met dit soort begrippen bezig gehouden. Hoe woorden betekenis krijgen, wordt eerder toegelicht aan de hand van konijnen, katten op matten, sneeuw die wit is en grode emerozen. Het idee waar Rorty en McDowell van uitgaan, is dat je weet wat een woord betekent als je het kunt uitleggen: ik heb een konijn gezien, zo’n zacht en eetbaar beest dat kleiner dan een haas is, en een plus een konijn is eerst twee konijnen en daarna heel veel als er niet genoeg vossen in de buurt zijn. Wilfrid Sellars noemt dit in Empiricism and the Philosophy of Mind (1956) ‘the game of giving and asking for reasons.’
Maar met functioneel vage begrippen is dit een heel ander spelletje. Bildung bijvoorbeeld is een begrip, tegenwoordig vooral in gebruik als conservatieve stoplap, waarmee generaties Duitse schoolkinderen tot het stampen van klassieke talen en het schrijven van opstellen over Schiller en Goethe zijn gedwongen, en dat ooit stond voor het vormen van jezelf als individu met een eigen oordeel door middel van kunst en algemene ontwikkeling. Die lading, in combinatie met vaagheid, maakt dat je niet helemaal in de hand hebt wat je er mee uitdrukt. Maar die vaagheid is ook functioneel: ‘Bildung’ blijft onbestemd omdat het iets uitdrukt dat zou moeten zijn, niet een ding of eigenschap beschrijft. Mijn stelling is dat zulke begrippen zich op allerlei manieren laten gebruiken en misbruiken, maar dat je er niet omheen kunt op zijn minst een aantal van zulke functioneel vage begrippen hanteren. Redeneren is namelijk geen van te voren vastgelegd taalspel, maar een conflict over hoe dingen zouden moeten zijn. Met andere woorden: idealen zijn ook deel van het redeneren.
Hoe weet ik wat iemand met ‘Bildung’ bedoelt? Weten wat een Indiaan met ‘gavagai’ bedoelt is al moeilijk genoeg. Alleen door er van uit te gaan dat die Indiaan weet waar-ie het over heeft, en niet maar wat praat, kan ik erachter komen dat ‘gavagai’ iets met konijnen te maken heeft. Donald Davidson noemt dit een ‘constitutive ideal of rationality’ (een frase waar McDowell erg aan gehecht is), en stelt dat ik de Indiaan gelijk moet geven waar ik kan. Moet ik er dan ook maar van uitgaan dat iemand die ‘Bildung’ zegt weet wat-ie bedoelt, en hem gelijk geven waar ik kan?
Het antwoord is niet ondubbelzinnig nee. Ik kan vinden dat de persoon in kwestie zwetst, maar hij moet toch zijn redenen hebben om dat woord te kiezen, en wel specifiek dát woord. (Niet voor niets kiezen Rorty en McDowell een onvertaalbare uitdrukking: ze hebben geen betere.) De interpretatie is hier een kritische weging van beweegredenen: is het gebruik van de term ongemotiveerd, dan is de term zelf betekenisloos. Maar door aan iemand beweegredenen toe te schrijven, veronderstel ik al dat de ideeën van die persoon tot op zekere hoogte samenhangend zijn, en dat ze niet alleen gaan over hoe dingen moeten zijn, maar ook over hoe dingen zijn. Wie geen benul van de realiteit heeft, heeft ook geen idealen.
Ieder weldenkend mens wantrouwt functioneel vage uitdrukkingen, ook als ze niet door conservatieven geclaimd worden. En terecht. Zulke uitdrukkingen drukken altijd minder en meer uit dan ze zeggen. Minder, omdat ze onbestemd blijven. En meer, omdat er altijd een bepaalde opvatting over hoe dingen moeten zijn mee geïmpliceerd wordt. ‘Bildung’ is wat dat betreft niet het beste voorbeeld, omdat het niet al te gangbaar is; maar wie zichzelf wel eens heeft horen praten over ‘kunst’, ‘wetenschap’ of ‘vrijheid’ kent het ongemak waarmee je zulke vage termen door je strot wurgt. Het is alsof je wordt gevraagd of je nog steeds je vrouw slaat: je wordt vastgepind op implicaties die je niet zelf voor het kiezen hebt.
Een Wittgensteiniaan zou zeggen: reinig de taal van zulke uitdrukkingen. Maar dat is niet alleen onmogelijk, maar ook onwenselijk. Zonder functioneel vage uitdrukkingen is het namelijk niet mogelijk je opvattingen coherent weer te geven. Wat je allemaal weet en vindt, en hoe dat allemaal met elkaar samenhangt, is te veel om uit te leggen of zelf te overzien. De coherentie van je opvattingen is tegelijkertijd oneindig en onvolledig: je kunt geen grens stellen aan het domein van samenhangende opvattingen, maar je weet dat er gaten in zitten. Niet dat functioneel vage uitdrukkingen de gaten vullen – het is geen superlijm die alles aan elkaar plakt – maar ze geven tenminste aan dat er nog iets te verwezenlijken valt. Zonder die motivatie ben je geen redeneerder, maar een taalspelautomaat. Wie geen idealen heeft, heeft ook geen benul van de realiteit.
Het is nogal opmerkelijk dat Rorty en McDowell in de navolging van Wittgenstein op een begrip als ‘Bildung’ stuiten. Dat gaat juist lijnrecht in tegen Wittgenstein’s vaaghedenbestrijding en zijn quiëtisme. Die vaaghedenbestrijding kan nog wel van pas komen voor wie verantwoord met functioneel vage uitdrukkingen wil omgaan. Maar dat quïetisme is eerder zelf iets om te bestrijden, als een aantasting van het redeneervermogen. In plaats van ‘filosofische schrijnproblemen’ kunnen we beter het spook van Wittgenstein uitdrijven. Om daarna, in een soort Wittgensteinvrije cocktail van Rorty en McDowell, voor het ontwikkelen van nieuwe idealen te pleiten, en dat te presenteren als de vorming van jezelf als redeneerder. En noem dat dan maar ‘Bildung’.
woensdag 30 april 2008
The Cubic Sphere
The Cubic Sphere
René Boomkens en René Gabriëls pleiten in Krisis (#4, 2007) voor 'Filosofie als vrijmoedige kennispolitiek'. Filosofen zouden zich niet alleen moeten richten op vakgenoten maar zich ook in de arena van het publieke debat moeten werpen, betogen zij, en de manier waarop universiteiten onderzoek belonen en aansturen maakt dat steeds moeilijker. Die beoordelings- en beloningsstructuur legt namelijk aanzijdig de nadruk op peer-reviewed bijdragen in internationale, Engelstalige tijdschriften.
Dit zien Boomkens en Gabriëls als een verarming van de filosofie én van het publieke debat. De kritische rol die filosofen kunnen vervullen ten opzichte van andere wetenschappen, ten opzichte van de maatschappij en vooral met de blik op de relatie tussen die twee, blijft onvervuld; prominente publieke denkers als Scheffer, Verbrugge, Cliteur en Van Middelaar maken zich eerder dienstbaar dan dat ze nieuwe kritische perspectieven openen. Alsof dat nog niet erg genoeg is, zijn er ook nog eens door de overheid ingekapselde instanties als het SCP en de WRR, die het vervullen van deze rol eerder hinderen dan dat ze hem zelf vervullen. Boomkens en Gabriëls nemen nog net niet de frase 'Het verraad der klerken' in de mond, maar voelen zich duidelijk in de steek gelaten door hun vakbroeders, door universiteitsbestuurders en door de overheid. Er is weinig dat deugt en veel dat niet deugt.
'Kritisch' zijn, beseffen Boomkens en Gabriëls zelf ook, is op zich niet genoeg: je moet het ook nog ergens over hebben. Daarom pleiten zij voor een 'vrijmoedige kennispolitiek' die niet zozeer aansluiting zoekt bij de vakwetenschap, maar zich te verstaan geeft met hoe er in verschillende terreinen van wetenschap kennis gemaakt wordt, en hoe en wie deze kennis macht geeft. 'Vrijmoedig' omdat filosofen daarbij hun nek moeten uitsteken, tegen het gezag van experts moeten ingaan, onwetenschappelijke lompheden moeten incasseren, en zelfs de hand bijten die hen voedt. Boomkens en Gabriëls gebruiken hiervoor het begrip Parrèsia, ontleend aan een apocrief boek van Foucault en eerder aangehaald door Leezenberg in De vloek van Oedipus: een waarheid uitspreken met eigen gevaar.
(Klik hier voor mijn recensie van De vloek van Oedipus, Cimedart 37 #1, pp. 16-18)
Ik blijf dit alles te vrijblijvend vinden. Zelf heb ik, in mijn scriptie, gepleit voor filosofie als het systematisch en kritisch ontwikkelen van idealen; maar zoals het in Krisis staat, is 'Filosofie als vrijmoedige kennispolitiek' eerder een pleidooi voor een vrijplaats voor de betweters dan voor de verbeelding aan de macht. Hoewel Boomkens en Gabriëls verwijzen naar Ruth Sondereggers onderzoek naar de betekenissen van 'kritiek', en naar het lexicon van de subversiviteit, is de onderzoeksagenda van hun vrijmoedige kennispolitiek eerder die van science studies. Dat is nog geen recept voor kritische vergezichten, laat staan voor nieuwe idealen. Ze maken zich kwetsbaar voor het verwijt: 'ze willen gewoon de Centrale Interfaculteit terug'.
Tine Wilde, een kunstenares en UvA-promovenda wiens proefschrift aan een artistiek project verbonden is, loopt ondertussen rond met plannen voor een interdisciplinair/filosofisch instituut waar projecten die niet binnen de gangbare onderzoekstrajecten passen een plek zouden kunnen vinden. Het is moeilijk om hier al commentaar op te geven, omdat er (zover ik weet) geen publiek toegankelijk document is om naar te verwijzen, maar ze heeft zeker een punt dat de huidige 'interdisciplinaire' instituten en programma's nog een ruimte open laten. De meeste beoefenen vooral een soort van science studies die een allegaartje aan menswetenschappen toepassen op een rijtje exacte wetenschappen. Daartegenover staan figuren als André 'Studium Generale' Klukhuhn, die boeiende maar vrijblijvende essayistiek bedrijven. Wat hier ontbreekt is wat Boomkens en Gabriëls aanprijzen als 'Nieuwe Kritische Theorieën', die 'tonen dat de wereld niet zo hoeft te zijn zoals die is'.
De vraag is of dit ook is wat Tine Wilde voor ogen staat. Zo ja, dan is de tweede vraag of een nieuw instituut wel de beste manier is om dit te bewerkstelligen. Je kunt niet als onderzoeksprogramma hebben: 'wij produceren Nieuwe Kritische Theorieën'.
De verkokering van vakspecialismen, die Boomkens en Gabriëls zo beklagen, komt niet alleen onder filosofen voor. Het is, ten dele, een onvermijdelijk gevolg van kennistoename, concurrentie en academische arbeidsverdeling. Maar dat betekent niet dat er niets aan te doen valt. Er is niet zozeer een nieuw filosofisch instituut of een nieuwe manier van filosofie bedrijven nodig, als een uitwisseling van ideeën die niet in het eenrichtingsverkeer van de 'populaire wetenschap' blijft steken.
'Laten zien dat de dingen dat de dingen niet zo hoeven te zijn als ze zijn' is niet het privilege van filosofen. In zekere zin is het wat wetenschappers in het algemeen doen, door met nieuwe vaststellingen ook nieuwe mogelijkheden en ongewisheden te openen. Maar filosofen hoeven niet braaf op het goede nieuws te wachten en de implicaties voor het wereldbeeld eruit af te leiden. Boomkens en Gabriëls hebben zeker gelijk als ze pleiten voor een 'vrijmoedige kennispolitiek' die de productie van kennis onder het licht houdt. Het probleem alleen is dat dit meestal neerkomt op omkering van het eenrichtingsverkeer. Een verdwaalde psycholoog of linguist wil nog wel eens een filosofische observatie ter harte nemen, maar juist in de vakgebieden die het meest onderwerp zijn van science studies is filosofie iets voor buiten het lab.
Er is behoefte aan een orgaan dat het mogelijk maakt om ideeën uit te wisselen met zo min mogelijk concessies aan de inhoud. Een lovenswaardig voorbeeld is de Academische Boekengids, uitgegeven door de universiteiten van Amsterdam, Utrecht, Groningen en Leiden. Als wetenschappers dankzij zulke podia niet meer naar hun publiek op zoek hoeven, bespaart dat een hoop opa-vertelt en kijk-eens-hoe-leuk-het-is, waaraan bijvoorbeeld de op dit blog recent besproken boeken leden.
Alleen, in de Academische Boekengids staan nog geen 'Nieuwe Kritische Theorieën'. Of, om in mijn eigen vocabulair te blijven, er worden geen nieuwe idealen in ontwikkeld. Dat is toch echt een vak op zich. Je kunt er alleen moeilijk een instituut voor oprichten. Waar ik voor pleit, is iets onmogelijks: een instituut dat geen instituut is, dat op wetenschappelijke basis idealen voortbrengt (dat wil zeggen, 'laat zien dat de wereld niet hoeft te zijn zoals dat die is'). Vandaar die titel: The Cubic Sphere.
Hoe moet deze onmogelijkheid er dan uitzien?
Om te beginnen: als een e-tijdschrift met forum. Het eerste wat nodig is, is een plek waar mensen hun ideeën kwijtkunnen. Dit tijdschrift moet wel een degelijke redactie erop nahouden, maar het is ook bedoeld als plek waar juist mensen die buiten de gangbare onderzoekstrajecten vallen hun resultaten kwijt kunnen. Die twee dingen hoeven niet met elkaar in tegenspraak te zijn.
Vanuit deze basis kunnen lezingen en bijeenkomsten georganiseerd worden, en later ook papieren publicaties voortkomen. Anders dan Boomkens en Gabriëls, die 'maatschappelijk relevant' gelijkstellen aan 'geschreven in de eigen taal', zou ik juist pleiten voor meertaligheid: het gaat erom een soort van plug-in formule te ontwikkelen, waardoor overal los-vast aan het tijdschrift verbonden activiteiten kunnen worden opgezet. Daarom ook de Engelse, maar vertaalbare titel 'The Cubic Sphere'.
De derde stap is het faciliteren van eigen onderzoek. Er hoeft niet per se een instituut voor worden opgericht, als er maar een organisatie is die geld bij elkaar kan brengen. Dat geld hoeft niet op te gaan aan prestigieuze leerstoelen: het is belangrijker om promotie- en onderzoeksplaatsen te scheppen voor filosofen met een wetenschappelijke, en wetenschappers met een filosofische oriëntatie. The Cubic Sphere is eerder een fonds dan een instituut.
*
Over het ontwikkelen van idealen valt meer te lezen in mijn scriptie over de rol van idealen in het redeneren, en in de hierboven geposte bewerking tot artikel daarvan.
zaterdag 12 april 2008
Arts in Action
Arts in Action
Het idee voor Arts in Action kwam bij me op in de jaren dat aan de UvA en in de Amsterdamse kraakscene het collectief Damoclash actief was, en ik tegelijkertijd de moderne muziek ontdekte. Zelf geen kraker en ook geen conservatoriumstudent, heb ik me in beide werelden nooit echt thuis gevoeld, wat niet wegneemt dat 2004-2005 een prachtig jaar was om 22 te zijn.
Damoclash organiseerde een plusminus maandelijks cultuurfestival cq open podium, eerst in pakhuis Afrika en daarna op wisselende locaties, had 'iets te maken' met de meest recente Maagdenhuisbezetting, zette debatten over de toekomst van het hoger onderwijs op poten onder de noemer Geestdrift, en bracht de nog steeds bestaande kraakgalerie Schijnheilig voort. Dit alles om cynisme, lelijkheid en rechtse politiek te bestrijden met creativiteit.
Het probleem was dat dit engagement gepaard ging met een forse dosis negativisme. Voor de goede zaak was de bier- en kraakpandenlucht nog wel te verdragen; maar het doel was eerder om een eigen vrijplaats te bevechten dan om de verbeelding aan de macht te brengen. Frasen als 'de herovering van de publieke ruimte' dienden vooral als discussion-stopper.
In NieuweMuziekstan was 'de herovering van de publieke ruimte' geen issue. Hier waren mensen - in hun eigen vrijplaats, en met bewonderenswaardige toewijding - vooral bezig met de muziek zelf. Niet met het herkauwen van oude koek, maar met het vinden van nieuwe geluiden.
En daar kleefden ook zo z'n nadelen aan. Niet zozeer dat het een in zichzelf besloten clubje was - de deur stond open voor iedereen, net als bij Damoclash, en zelfs bij de grotere concerten waren de toegangsprijzen voor jongeren bespottelijk laag - maar dat je voor elke unknown pleasure door een heleboel verveling moest heenbijten. En dat had er zeker mee te maken, dat het merendeel van de experimentele muziek vooral omwille van zichzelf gemaakt werd: het waarom speelde geen rol van belang, er werd zelfs weinig avantgarde-retoriek aan gewijd.
Wat ik in deze twee heel verschillende werelden wel geleerd heb, is om kunst concreet te zien: niet als iets wat 'geïnterpreteerd' moet worden, maar vooral iets om te doen. Iets om bij na te denken, zeker, maar dan in termen van gemotiveerd handelen, niet als een soort van 'ontraadselen' wat je als toeschouwer uiteindelijk toch maar passief houdt. En daaruit komt de slogan voort die boven dit stuk staat.
Arts in action is bedoeld als alternatief. Het doel is - inderdaad - om cynisme, lelijkheid en rechtse politiek te bestrijden met creativiteit, en de publieke ruimte te heroveren. Maar dan wel door het verspreiden van levensvreugde. Het is toegestaan om het publiek te plagen; choqueren en aanklagen mag alleen in geval van acute noodzaak. Belangrijker is, om mensen te verwonderen.
Het idee is heel eenvoudig: ga de straat op en verspreid kunst.
Pak je ezel, ga schilderen op een publieke plaats en deel de producten uit aan de omstanders. Neem een megafoon mee en declameer gedichten. Trek je klarinet, laad een toy piano op een bakfiets, charter een paar dansers.
Voorwaarde is dat er geen concessies worden gedaan aan de kwaliteit behalve omwille van de praktische uitvoerbaarheid. Het is niet verboden het publiek te behagen, wel verplicht verwondering te wekken. Het doel is niet te laten zien hoe goed je bent, maar wat je te bieden hebt te delen.
Het gaat niet om de kunst: het is maar kunst.
Die kan je zoeken in de gekste hoeken. Speur naar muzikale patronen in straatgeluiden, wijs voorbijgangers op leuke optische verschijnselen, beweeg op een dansante manier, ontwikkel een eigen stijl van kleden. Vooral: ga op onderzoek uit.
Neem jezelf niet al te serieus, maar wees wel toegewijd.
Een essentieel onderdeel van Arts in Action is opereren in groepen. Dit maakt het niet alleen makkelijker - in je eentje ben je al snel een eenzame gek, met zijn tweeën ben je aan het keten en met drie ben je een beweging - maar nodigt ook uit tot meedoen. Vorm een posse en struin rond op zoek naar plekken om de publieke ruimte te heroveren.
Omwille van de herkenbaarheid kan een dresscode nuttig zijn, die gekopiëerd kan worden door iedereen die zich wil aansluiten. Laat die dan wel stijlvol en functioneel zijn - je hoeft jezelf niet al te serieus te nemen, maar je bent geen clown.
Verwar Arts in Action niet met het uitdragen van een politieke boodschap. Engagement kan geen kwaad, maar wie denkt dat dansen politiek is is politiek naïef en gaat er ook niet beter door dansen.
Deze regels zijn er om te breken. Begin er niet aan als je er niet van jezelf al toe geneigd bent.
*
Goed, dat klinkt toch al aardig als een manifest. Of eigenlijk meer als een contactadvertentie: manifest zoekt beweging. Gezien het aantal reacties op dit weblog valt aan de effectiviteit hiervan te twijfelen. De bedoeling van deze post is dan ook vooral om eens mijn fantasiën onder woorden te brengen, in de hoop dat anderen er iets van oppikken.
En om dit rijtje disclaimers af te sluiten: nee, ik solliciteer niet naar het leiderschap van een nog op te richten beweging van Mensen Zoals Ik.
zondag 30 maart 2008
Wat ik ook heb uitgespookt in maart (gedichten)
Feit is dat ik het niet kan laten. Vooral niet als er eigenlijk andere dingen te doen zijn.
De knikkende putters hengelen
De knikkende putters
hengelen in de grafpoel
en ook deze bergen zijn ooit vissen geweest
De knikkende putters hengelen
Het korstmos groeit een millimeter in tien jaar
Onder de regering van koning Coelacanthos Glaukopis
in het eerste jaar van het Pennsylvanien, werd het vastgelegd
dat ieder jaar zouden worden geofferd aan de grafpoel
zeven trilobieten van het edelste geslacht,
vijf gevangen rhyzodonten,
tien kransen van varens versierd met doorregen kwallen
opdat de machine zou blijven draaien
opdat de vuurbol zou blijven draaien om de grafbol
De knikkende putters
knielen en heffen zich op naar de zon
De betonnen bomen groeien ten hemel
Driehonderd jaar voor het begin van hun recorded history
hakten de Paaseilanders hun laatste boom om
indachtig de woorden van het grootste stenen hoofd
‘dat wij verstoken blijven van hemelvaarders’
Kniel voor het grote stenen hoofd
ja wij zijn zondig geweest
Hier is het kloppende hart van een nobele bedrijfsjurist
Hier zijn de meest verfijnde van alle oliën
De knikkende putters hengelen in de grafpoel
en ook deze bergen zwommen ooit rond
in blauwe zeeën, blauw als de bodem van de grafpoel
waar nu het mos groeit, en waar Mussolini
werd ontzet of ontvoerd door Duitse paratroopers
op het Keizersveld, in de mond van de bergen
brokkelen rotsen omlaag, en kruipen wolken op
tegen de grafstenen tanden. Diep
onder de grote rots is een kernfysicalab.
Het zesduizendmiljoen-
koppige monster of de zogenaamde
“mensheid” (wie van iedereen houdt,
houdt van niemand) kruipt
waar het niet gaan kan bloed
loopt in zijn bloedsomloop
om
U bent een wandelend altaar Uw hart
is een Chinese kamer
Monster de mensheid is geen mens
en
“Love is a two-place relation”
(dit stond in een handboek voor logica) wie
knielt voor de mensheid reikt
zichzelf op een zilveren schotel
aan
U bent een woord zonder tong Uw maag
is een anthropofagus
Loopt
op andermans benen en denkt mijn gedachten
Het monster de mensheid
U bouwt kathedralen
U bent een wandelend altaar wie
een mens redt, redt
een potentiële moordenaar De liefde
kruipt waar het bloed stolt is
een pomp van laag naar hoog
naar laag en weer terug (U
heeft de Neanderthalers een loer gedraaid,
IJstijd overlevende mensheid) U leeft
op liefde en brood
Wat ik heb uitgespookt in maart (tekeningen)
.jpg)
Maar ter ontspanning helpt het om 's avonds laat wat te droedelen.
Ik zei nog tegen Martin, je wilt niet weten wat ik heb zitten tekenen terwijl ik jou aan de telefoon had. Maar hij was benieuwd.
De vierde van boven.
.jpg)
Vervelend genoeg kan mijn scanner dit papierformaat niet aan. Sowieso zul je in de winkel niet snel een scanner met meer dan A4-bereik aantreffen. Gelukkig staat op zaak een kopieerapparaat dat ook kan scannen.
De karikatuur van Dirk, die ik vandaag vervaardigde, volgt dus nog.
De bedoeling is om uiteindelijk een soort van tronies te ontwikkelen waarbij gelijkenis wordt opgeroepen zonder dat de lijnen van de tekening corresponderen met gezichtslijnen. Als ik beter kon tekenen, en meer wist van Japanse kalligrafie, zou ik zeggen dat ik portretten probeer te kalligraferen. (Flauwe woordspelingen over 'karakters' worden bewust gemeden.)
De onderste lijkt wel een beetje op Martin Heidegger. Niet genoeg om een geslaagde karikatuur te zijn, maar net als het spook van Wittgenstein (klik op de tag 'karikaturen') wel een voorbeeld van welke kant ik op wil met mijn krabbels.
