zondag 30 september 2007

Doctorandus Floris

Een goede traditie bij wijsbegeerte is dat je je scriptie publiekelijk moet verdedigen. En dat ging er hard aan toe in de Vondelzaal. Om de confrontatie nog wat confronterender te maken, werd besloten dat ik en de commissie tegenover elkaar zouden gaan zitten, zodat zij ruggesteun hadden van 7 portretten van Vondel en een gordijn gesloten moest worden om de zon uit mijn ogen te houden.

Jacques Bos noemt het een erudiet en fraai geschreven stuk. Maar wordt het wel gerechtvaardigd door zijn conclusies?

"Inderdaad is mijn conclusie ook dat begrippen als Bildung van zichzelf niet veel betekenen en inherent vaag zijn. Maar..."

Jacques Bos is niet overtuigd. "Sta je niet eigenlijk dichter bij Gadamer dan bij Skinner?"
Josef Früchtl sluit zich daarbij aan: geeft Rorty niet ook een pleidooi voor 'creativity in reasoning'?

Michiel Leezenberg merkt zijdelings op dat hij zich niet kan vinden in de verwijzing naar zijn 'conflict view of language'.
Desondanks, witte rook: Floris wordt doctorandus Floris.

(En nog cum laude ook.)

Met dank aan Matthijs Ponte is de pdf nu ook hier te downloaden. Via UvA-DARE wordt aan een algemeen scriptiebestand gewerkt, maar ze beginnen met andere afdelingen.

Hilarisch

Deze reusachtige quasi-kerktoren is de Cathedral of Learning in Pittsburgh. Vrijdag kwam dit gebouw aan de orde in een presentatie van Carol Gluck tijdens de conferentie Moved by the Past, georganiseerd door het Centrum voor Metageschiedenis van de RuG.
Gluck verwees naar een uitspraak van Umberto Eco, dat Amerikaanse universiteiten allemaal kloosters proberen te zijn, met hun neogotische architectuur, de beslotenheid van hun campus, en hun ligging in de natuur. Daan de Kuyper bevestigt dat de geleerdheidskathedraal erg schilderachtig ligt aan de rivier. Toch is mijn eerste gedachte meer aan Isengard, de toren van de kwade tovenaar in The Lord of the Rings.

Ik was dit adres al eerder tegengekomen onder de publicaties van Robert Brandom en John McDowell, en vond het toepasselijk voor een groep filosofen die de 'Pittsburgh Hegelians' genoemd worden. (Brandom heeft een baard van twee voet, McDowell gelooft dat 'Bildung' de problemen van de analytische filosofie kan oplossen, en hun collega Nicolas Rescher heeft meer dan 100 boeken gepubliceerd - en alledrie bedelven ze hun publicaties onder verwijzingen naar de grote doden, bij voorkeur Duitse Idealisten.)

Wat die conferentie betreft: het moet gezegd worden dat ze het goed voor elkaar hebben bij het Centrum voor Metageschiedenis. Niet zozeer omdat ze regelmatig kopstukken als Quentin Skinner en Hayden White naar Groningen weten te krijgen, alswel omdat ze een groep van onderzoekers en studenten bij elkaar gebracht hebben die elkaars werk volgen, en regelmatig bij elkaar komen om dat te bespreken. (Naar verluidt niet altijd even zachtzinnig.) Er valt een hoop aan te merken op die Groningers - ze zijn rechts, het zijn pomo's, en vinden zelf dat ze 'beyond postmodernism' zijn - maar zoiets zouden we in Amsterdam ook moeten hebben.

woensdag 26 september 2007

Ik hou niet van poëzie, ik kan het alleen niet laten

Waar ik wel van hou is regels onregelmatig te laten inspringen. En daar houdt html helemaal niet van. Gelukkig kun je tabs faken met het commando 'non-breaking space', dat ik hier niet kan weergeven omdat er dan een lege ruimte komt te staan.
De slotregel hangt er een beetje bij, dat komt omdat Iblis oorspronkelijk deel was van een Onvoltooid Groot Gedicht.



Iblis


Rood haar, vuurrood, Iblis die vol van vuur is
danst en bokt en springt op mijn schedel
                                                en zingt
            hij heeft een rauwe rode huid en bloeddoorlopen ogen
                        Schreibedu, schreibedu
                        Weistu was so schweig
Hij danst op mijn hoofd, hij
spant een viool op je schedel en trekt je huid
            over een trommel heen, slurpt je gebeente leeg
            en snijdt er een fluit van
                        Schreibedu, schreibedu
                        Heidideldu
De duivel spreekt Duits en hij zingt,
            zacht:
                        Du glaubst daß ich bin also bistu mein Diener
                        Werf mir ein Tintenfaß zu deine Seele ist mein
                        Und Musik hat viel größere Macht als der Bibel
The Devil I think is a German professor
            but boy he got groove
hij fluistert
                        Schreibedu, schreibedu,
                        Heidideldu,
                        Weistu was so schweig.

Rood haar, vuurrood, Iblis die vol van vuur is
            en de donder gromt.

Geluid is muziek als het nergens toe dient

...Een regeltje uit mijn ode aan het Muziekgebouw aan 't IJ, ooit geschreven voor Niels de Groot's gedichten-en-beelden-project.
En geen slecht motto voor het zoeken naar onverwachte geluidscombinaties in de stadsjungle. Iets wat je altijd kunt doen als je een paar minuten moet verniksen, en waarmee je de wereld mooier maakt zonder er iets voor te hoeven doen. Het is alleen gevaarlijk in het verkeer.

Mijn favoriete sons trouvés:

- Het ontvouwen van een hoogwerker voor mijn raam, waarbij de aandrijving lage continue tonen maakte als een duduk, de scharnieren voor hoge snaarachtige snerptonen zorgde en de aansturing piep-piep-piep de maat piepte.

- De onregelmatige gejaagde ritmes waarmee de Le Creuset-grillpan op en neer trilde op het fornuis terwijl de wasmachine op volle toeren centrifugeerde.

- Een naderende tram bij het Concertgebouw, met bijbehorend Doppler-effect, rinkelende bellen, achtergrondruis van het verkeer bij de kruising, en de wind die vanaf het plein de straat in geperst wordt. (Het concert met stukken van George Benjamin was een stuk minder interessant.)

- Hamerende stratenmakers in Potsdam. Een vrij grote ploeg, ze sloegen op natuurstenen tegels, wat een mooi hoog geluid geeft, elk zijn eigen ritme of geen ritme. Denk aan Ligeti's kamerconcert, 2e kwartet of gedicht voor metronomen. Ik miste bijna de trein door er naar te luisteren.

dinsdag 25 september 2007

Filosoferen op de zaak

Arie van den Berg meldt dat het topje van de Mont Blanc in het Teylers Museum ligt. Dit is er in 1787 afgeslagen door de eerste bedwinger, Horace de Saussure (inderdaad, familie van), met het in die tijd niet idiote idee dat dit het oudste gesteente op aarde zou kunnen zijn.
Filosofisch uitdagend idee? (Het is immers niet meer het topje van de Mont Blanc, als je het afslaat.) Volgens Arie is dit materie voor een essay, volgens mij is met de eerste alinea alle relevante informatie wel gegeven. Verschil in mentaliteit.

Omgekeerd voorbeeld: op de pas van de Cruz de Ferro, op de weg naar Compostela, ligt een berg stenen die daar sinds eeuwen de pas op zijn gedragen door de pelgrims. Soms fikse blokken. Op mijn kamer ligt nog een halve steen waarvan de andere helft op die hoop ligt. Hier is 'de top' elk nieuw steentje dat je er bovenop legt.

Ed Roest had een interessanter idee, toen ik hem vertelde over het fantasiewoord 'grue'. Volgens Nelson Goodman is dit een woord dat empirisch gezien een heel duidelijke eigenschap omschrijft, maar toch in geen enkele taal zal voorkomen:

"it applies to all things examined before t just in case they are green but to other things just in case they are blue. Then at time t we have, for each evidence statement asserting that a given emerald is green, a parallel evidence statement asserting that that emerald is grue."
(Fact, Fiction and Forecast, Harvard UP, Cambridge (Mass.) 1955; p. 74)

Volgens Ed is 'levend' zo'n soort woord. Economenwijsheid van Keynes: 'op de lange termijn zijn we allemaal dood'.

Bemerkungen über den Dandyismus

Prof. Früchtl omschreef de dandy ooit als een 'educated follower of fashion', volgens hem een regel uit het nummer Dandy van de Kinks. Hij had het mis. A dedicated follower of fashion was een single uit 1966 over een Londense shopaholic, 'who thinks he is a flower to be looked at'. Geen dubbele bodems daaronder, net zo min als in Dandy (van het album Face to Face, zelfde jaar), dat begint met:

"All your little life
You're chasing all the girls
They can't resist your smile, oh-oh"

en eindigt met de vaststelling dat hij altijd een vrijgezel zal blijven. Roger Daltrey, de ijdele en charismatische zanger van The Who, nam er aanstoot aan. Later werd hij door zijn eigen band nog iets subtieler bespot in het booklet van Quadrophenia:

"If he hadn't lived around I would have said his hair was gold. Real gold I mean, like gold paint."

Ja, de dandy is niet meer wat-ie geweest is. En dat de strekking wat opgerekt wordt is maar goed ook, want als de term beperkt zou zijn tot een duidelijk gedefinieerde groep (namelijk een stel zelfverklaarde niksnutten in hoge kragen die chocolade dronken ten tijde van George IV) zouden we er snel over zijn uitgepraat.
Baudelaire ziet de dandy (dus zichzelf) als een tijdloze figuur, en rekent in een moeite door Caesar en Alcibiades tot de 'historische dandies'. Benjamin beweert in zijn boek dat dandies voortkwamen uit de Britse koloniale merchant class, die onder grote handelsrisico's de schijn moest ophouden en zijn sangfroid moest bewaren. (Natuurlijk een bewering zonder voetnoot, want het is Freudiaans-Marxistische onzin.) Warhol als dandy is een voor de hand liggende woordspeling. De tentoonstelling over de Dandy, twee jaar geleden in het Museum Mesdag, toonde foto's van Rudolph Valentino, Cecil Beaton en - godbetert - David Beckham. Op internet is het merk New Dandyism te vinden, dat bestudeerd onopvallende shirts en jeans verkoopt. En sinds het boek van Dick Pels hebben we ook de aanduiding Politieke Dandy.

Een bonte familie kortom. Er zijn onderscheiden in aan te brengen: Lodewijk van Deyssel onderscheidt de 'sobere dandy', die zijn talent en gevoeligheid verpakt, van de 'echte dandy' die volmaakt en toegewijd oppervlakkig is. Dat onderscheid gebruikt hij om ware dichters te onderscheiden van kunstelaars, ten bate van Stefan George en ten koste van Oscar Wilde. Het kan neutraler. Tegenover de sobere dandy kun je ook de exuberante stellen: er zijn enerzijds figuren die zich nadrukkelijk ingetogen kleden, goede stof strakke snit, zoals Beau Brummel, Aubrey Beardsley, Franz Kafka; en anderzijds figuren met groen haar, een kreeft als hond, grote zijden strikken, rode mantels etcetera, zoals Balzac, Baudelaire, Wilde.
(Beardsley, de magere teringlijer in driedelig grijs, ging ooit samen met de opgedirkte dikzak Wilde op vakantie. Natuurlijk konden ze elkaar niet uitstaan. In Ulysses wordt Buck ('fat') Mulligan op een soortgelijke manier tegengesteld aan Stephen Dedalus, met zijn latin quarter hat, 'a dark figure in mourning midst their gay attires'.)

Het woord 'dandy' heeft overigens niks te maken met dandelion (paardebloem) of met dinde (woerd). Volgens de OED is het 'a local Scottish dimunitive for Andrew', met de bijbetekenis van mafkees. Zo komt het voor in het soldatenliedjeYankee doodle dandy, waarmee de Amerikanen werden bespot door de Britten tijdens de onafhankelijkheidsoorlog:

"He stuck a feather in his cap
And called it macaroni!"

Dankzij Wikipedia valt die grap nog te begrijpen ook:

"Young men who had been to Italy on the Grand Tour adopted the Italian word maccherone — a boorish fool in Italian — and said that anything that was fashionable or à la mode was 'very macaroni'."

En met die geuzennaam verenigden ze zich in de Macaroni Club. Zuipend, gokkend, verwijfd en een buitenlands accent affecterend zijn ze de directe voorgangers van de 'archetypische' dandies uit de Regency. Anders dan de dandies droegen de macaronis nog wel pruiken, idioot hoge zelfs.
Over die eerste echte dandies valt ook niks beters te melden dan dat ze de kuitbroek hebben uitgevonden. In een tijdperk van revoluties en stoommachines verhieven zij nutteloosheid en arrogantie tot een vorm van protest tegen de tijdsgeest, maten zich een adellijk voorkomen aan maar bleven thuis tijdens de Napoleontische oorlogen (Brummel wilde zich niet eens laten legeren in het uiterst onhippe Manchester), roddelden, maakten schulden en eindigden doorgaans in de goot. Brummel stierf berooid in een gesticht.

Hun belangrijkste bijdrage is een voorbeeld om van af te wijken. In hun eigen tijd werd dat al gedaan door Disraeli, die tijdig fatsoenlijk werd en de politiek in ging, en Byron, die het avontuur opzocht en stierf aan overijverige aderlating in Mesolonghi. Maar je kunt je afvragen of ze daarmee 'dandyisme' een nieuwe invulling gegeven hebben. Dat er genoeg voorbeelden zijn van dandies in parliament en op de barricaden is nog geen reden om dandyisme serieus te nemen als vorm van maatschappelijk protest. Baudelaires handen ruiken in 1848 naar buskruit - eerder een vorm van radical chic. D'Annunzio verweeft dandyisme met een protofascistische persoonscultus - wat vooral duidt op de gevaarlijke inhoudsloosheid van 'politiek dandyisme'.

Je kunt dandyisme opvatten als een stijlfiguur, die zich leent voor verschillende boodschappen en voor onnozel maniërisme. In dat geval kun je ook dandies avant la lettre aanwijzen, zoals je El Greco de opa van het expressionisme kunt noemen en de toename van het aantal dissonanten kunt turfen in de muziek van de 19e eeuw. Een belangwekkender probleem lijkt me hier de relatie tussen the medium en the message. Stel ze aan elkaar gelijk en je komt weer bij Brummel terecht. Koppel ze los en je vraagt je af waarvoor dandyisme dan de geschikte stijlfiguur is.
Daarover later meer.

vrijdag 21 september 2007

Update

Het papieren onding is in elk geval (voor mensen met een UvA-id) al te vinden op Blackboard: zoek naar Database Papers Wijsbegeerte.