Voor alle schrikkelkinderen
Ratel maar
de ratelaar
en wees niet bang
voor de ratelslang
O muizenveld
je bloeit niet lang
het gaat van muis tot muis:
daar komt de ratelslang
Alarm! alarm!
hij slokt de muis
met haar en staart
van ratelmuil naar slangedarm
Geen kattenpoot
wordt onze dood
geen uilenbal
of muizenval
Maar ratel nu de ratelaar:
pas op, daar komt de ratelslang!
vrijdag 29 februari 2008
dinsdag 26 februari 2008
Dit vinden logici leuk
Het volgende fabeltje ontleen ik aan de website van een Canadese sanskritoloog/linguist, Brendan Gillon. Geen idee waar hij het vandaan heeft. Het gaat over de al dan niet bestaand hebbende wijsgeer Epimenides, bekend als bedenker van de Kretenzerparadox ('Alle Kretenzers zijn leugenaars'). Epimenides, zelf Kretenzer, zou dat volgens wikipedia niet eens ironisch bedoeld hebben.
De filosoof Epimenides reisde naar het oosten en mocht twee vragen stellen aan de Boeddha (= man die alles weet). Na lang nadenken vroeg Epimenides:
1. O Boeddha, wat is de beste vraag die ik u kan stellen? en
2. Wat is daarop het antwoord?
"Dat is een hele goede vraag. Dat is zelfs de beste vraag die je me zou kunnen stellen, en dat is tevens het antwoord."
De filosoof Epimenides reisde naar het oosten en mocht twee vragen stellen aan de Boeddha (= man die alles weet). Na lang nadenken vroeg Epimenides:
1. O Boeddha, wat is de beste vraag die ik u kan stellen? en
2. Wat is daarop het antwoord?
"Dat is een hele goede vraag. Dat is zelfs de beste vraag die je me zou kunnen stellen, en dat is tevens het antwoord."
dinsdag 12 februari 2008
De Birdsong Hypothesis en het bewijs uit het oeroude
Sinds enige tijd maak ik mensen wijs dat linguïsten een bepaalde opvatting over taal, namelijk dat syntaxis net zoiets is als vogelenzang, aanduiden als de Birdsong Hypothesis. Dat is niet waar, je zult hem niet tegenkomen door te googelen. Maar het is een witte leugen, want als het begrip niet bestond zou het moeten worden uitgevonden.
Er is een vrij omvangrijke literatuur over de 'recursieve' structuur van vogelenzang, en de mogelijke verwantschap met het menselijke vermogen om zinnen te vormen. Meer daarover op LanguageLog. Maar het gaat me niet om de fonetische of genetische kant van het verhaal; wat ik bedoel met de Birdsong Hypothesis is een theoretische opvatting. Het betekent dat je er, à la Chomsky, vanuit gaat dat zinsvorming een aangeboren natuurlijk vermogen is; en dat het niet ontwikkeld is als apparaat om betekenissen in te coderen en communiceren. Sperber & Wilson bijvoorbeeld, stellen in Relevance: Communication and Cognition,
The fact that humans have developed language is interesting, but it tells us nothing about the essential nature of language. The originality of the human species is precisely to have found this curious additional use for something that many other species also possess, as the originality of the elephants is to have found that they can use their noses for the curious additional purpose of picking things up. [...] Language is not a necessary medium for communication: non-coded communication exists. Nor is it necessarily a medium for communication: languages exist which are not used for communication.
(pp. 173-4)
En een nog stelligere formulering valt aan te treffen bij Frits Staal, Rituals and Mantras: Rules without Meaning:
The transition between sound and meaning is unnecessarily complex, round-about and mathematically absurd. "Nobody in his right mind would attempt to build an artificial language based on phrase structure plus transformations."
(p. 138)
Het citaat is van Jerry Fodor, aan wie ook Sperber & Wilson schatplichtig zijn. Fodor verzet zich stellig tegen het idee dat de oorsprong van taal functioneel is, en de complexiteit ervan het gevolg van evolutie in het gebruik. Dit is voor hem ondenkbaar, omdat taal de sleutel is tot de structuur van het brein, en alle talen vertalingen zijn van de 'language of thought', dus in complexiteit evolueren met het brein, niet met de beschaving.
Fodor waagt zich niet aan verdere speculaties over de 'oorsprong van taal'. Het onderwerp is in 1864 in de ban gedaan door de Parijse academie van wetenschappen, en het is pas in dit decennium dat William Croft (Explaining Language Change, 2000) en Ray Jackendoff (Foundations of Language, 2002) met zulke titels aan de pek en veren ontkomen zijn. Of tenminste, zo presenteren ze het graag zelf.
Frits Staal heeft in Rituals and Mantras (1987) ook al het nodige over het onderwerp te zeggen. Het verschil is dat Staal geen nieuw model voor theoretische linguïstiek voorstelt. Hij is nooit van Chomsky afgevallen, en heeft niet de pretentie een linguïstisch kopstuk te zijn. (Croft en Jackendoff, daarentegen, pleiten voor 'radicale constructiegrammatica' en 'verwerping van het syntactocentrisme'.) Staal probeert eerder cultuurfilosofische en antropologische consequenties uit de Birdsong Hypothesis te trekken, en doet dat door grammatica te vergelijken met rituelen en mantra's.
Staal's argument uit het oeroude is dat mantra's, net als de vedische 'geschriften', veel ouder zijn dan de schriftcultuur, en dat de rituelen die hij gedocumenteerd heeft in AGNI: The Vedic Ritual of the Fire Altar (1983) nog dezelfde zijn, in een enclave, als beschreven in de Rigveda. Dat zulke repetitieve structuren zo lang blijven hangen, en zelfs, in het geval van mantra's, als exportartikel zijn gebruikt, zegt volgens hem iets over het universele karakter ervan. Het is zinloos er een 'betekenis' achter te zoeken; Staal noemt zulke symbolische antropologie 'sentimenteel'. Als er een betekenis in zat, zouden ze met de taal mee evolueren. Juist omdat het 'rules without meaning' zijn, zoals vogelenzang, blijven ze herhaald worden.
Rituelen zijn volgens Staal door antropologen behandeld als een restcategorie: als je niet weet waar het voor dient, noem je het ritueel. Hijzelf staat een strengere benadering voor: rituelen kun je, net als grammatica, beschrijven als een formele structuur. Dat betekent dat je het niet 'interpreteert' - nergens voor nodig, die lui weten zelf donders goed wat ze doen, ze kunnen alleen niet uitleggen waarom.
Rituals and Meanings bestaat voor een aanzienlijk deel uit beschrijvingen van repetitieve structuren, in mantra's, in rituelen, in muziek, gedichten, en dierlijk gedrag. De conclusie die Staal uit die beschrijvingen trekt is dat rituelen van een eerder stadium in de evolutie dateren dan taal - leguanen houden al 'rituele gevechten' zonder elkaar te bijten - en dat mantra's een tussenstadium zijn. 'Language originated when sound-meaning correlations were selected out of the abundance of sound-act correspondences that exist in animal ritual.' (p. 437)
Dit is voor hem een argument uit het oeroude tegen 'symbolische antropologie', 'hermeneutiek', en aanverwante benaderingen; zulke gedragspatronen kun je niet verklaren uit hun 'diepere betekenis', integendeel, om betekenissen helder te krijgen, moet je ze juist van natuurlijke talen abstraheren en formaliseren. 'If language reflected meaning in a straightforward manner, it would be logical to begin with and there would be no need for logic.' (p. 439)
Antropologen en religiewetenschappers, vervolgt hij, zouden dan ook een voorbeeld moeten nemen aan linguïsten in het streven naar formeel heldere uitdrukking in plaats van zich te verschuilen achter beeldende vaagheden en een fictieve tegenstelling tussen mens- en geesteswetenschappen. Hiervoor haalt hij een tweede argument uit het oeroude aan: dat zulke beschrijvingen universeel zijn, en dat wetenschap niet 'Westers' is, blijkt wel uit het werk van Panini en andere klassieke Sanskriet-grammatici.
A poem should not mean
But be,
schreef Archibald MacLeish ooit, en gedichten zijn niet van ideeën gemaakt maar van woorden, vond Mallarmé al. Staal verwijst er zijdelings naar, maar de vergelijking ligt voor de hand.
Die vergelijking is dan ook gemaakt door J.H. de Roders, die een nog steeds voortsluimerende polemiek in poëtisch Nederland heeft losgemaakt met Het Schandaal van de Poëzie. Over taal, ritueel en biologie (1999). Als ik het goed begrijp, betoogt hij daarin dat ritme en klank lichamelijk werken en dat poëzie naar betekenisloosheid neigt - iets wat op neuropsychologische en filosofische gronden is weersproken door Jan Lauweriks in Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie (2005). Die boeken ontdek ik nu pas door te googelen en de hele discussie is langs me heen gegaan, dus daarover misschien een andere keer meer.
Calvert Watkins hanteert een heel ander soort argument uit het oeroude in How to Kill a Dragon. Aspects of Indo-European Poetics (1995). Hij betoogt dat mythen en staande uitdrukkingen door taalverschuivingen heen blijven bestaan, en dat de Indo-Europese talen een poëtisch grondpatroon *YOU/HE SLEW the SERPENT/DRAGON hebben. Zoals Staal syntactische beschrijvingen van mantra's en rituelen geeft, geeft Watkins woordcombinaties en zinswendingen die overeen komen in het Keltisch, Oud-Noors, Grieks, Avestaans, Sanskriet en wat niet al.
Het grappige is dat je daar een compleet andere theoretisch-linguïstische opvatting aan zou kunnen ophangen: namelijk dat uit zulke overeenkomsten blijkt dat idioom een structurerende rol in de taal spreekt. Die opvatting is vooral verbonden aan Wallace Chafe's Meaning and the Structure of Language (1970), maar heeft een hedendaagse pendant in de meer radicale vormen van Construction Grammar, waarin het onderscheid tussen grammatica en lexicon wordt opgeheven. Inderdaad, de opvatting van William Croft!
En om het nog wat grappiger te maken: het uitgangspunt van Chafe dat taal de kortst mogelijke weg van betekenis naar geluid zoekt, wordt ook uitgedragen door Jackendoff (Minimal Syntax, 2005). In Foundations of Language komt Jackendoff nog met een aantal eigen argumenten uit het oeroude. Zo betoogt hij dat uitdrukkingen als 'Hoera' en 'Wow!', die niet in een zinsverband ingebed zijn, rudimenten zijn van pre-syntactisch taalvermogen; en dat de 'basic variety' die immigranten zonder gerichte taallessen oppikken eenzelfde soort structuur heeft als primitieve syntax gehad moet hebben.
Het argument uit het oeroude leidt dus tot elkaar uitsluitende conclusies. Het kan natuurlijk zijn dat het niet het argument is, maar de bewijsvoering van een van de partijen die niet deugt. Tenslotte leidde Friedrich Schlegel met een argument uit het oeroude de 'sprituele' herkomst van de Indo-Europese talen, en de 'mechanische' van alle andere af. (Zie mijn post Mithridates, 1806 hieronder.)
Maar wat zeker niet mogelijk is, is de Birdsong Hypothesis bewijzen met een argument uit het oeroude. In het onwaarschijnlijke geval dat de beschrijving van rituelen in recursieve transformatiegrammatica's navolging vindt, levert het altijd nog niet meer op dan een analogie. Die niet gepreciseerd kan worden, want er zit geen betekenis aan, dus er valt niets te vertalen.
Paarse poezen en de achterkant van de maan
Twee Kindergedichten uit 2001
voor Nienke Gottenbosch en Madieke (*2001)
Mijn poes is zo pimpelpaars als een poes
maar pimpelpaars kan wezen
zo paars als paarse pompelmoes
of purperen pimpelmezen.
Maar vandaag is hij verdwenen,
zo verdwenen als je er maar niet kunt zijn.
Misschien strekt hij alleen even de benen,
maar de wereld is groot, en mijn poes is maar klein.
Meneer, misschien
heeft u misschien
een pimpelpaarse poes gezien?
Grijze en gele,
halve en hele,
zelfs in drie delen heb ik ze gezien!
Maar een pimpelepoezelepaars?
Kind, wat zeg je me nou voor iets raars?
Zo paars als mijn paarse poes paars is
is nog nooit een poes paars geweest
en omdat dat voor een poes best iets raars is
zou ik willen vragen aan wie dit leest:
als u laatst nog een paarse poes gezien, of anders gehoord heeft
of een idee heeft van waar hij nu kan zijn
en als u dat wat u weet ook even aan mij doorgeeft
dan vind ik dat heel aardig en heel fijn.
Meneer, misschien
heeft u misschien
een pimpelpaarse poes gezien?
Groene en paarse,
gewone en schaarse,
op zevenmijlslaarzen, ik heb ze niet gezien!
Want een poezelepaarsepimpel –
kind, dat is eigenlijk toch heel simpel:
die heb ik niet langs zien gaan
want zo’n poes kan niet bestaan.
Pimpeltje, paarsje, pimpelpaars poesje,
waar ben je? waar was je? waar ben je gebleven?
Poezelig beestje, mijn paarsharig snoesje,
ik vraag me haast af of je nog wel zou leven.
Ik vraag me haast af of je niet toch gewoon thuis bent
en je baasje wilt foppen en verstoppertje speelt –
maar als ik dan niet eens weet of je in of uit huis bent,
hoe weet ik dan zo zeker dat ik me jou niet heb verbeeld?
Meneer, misschien
heeft u misschien
een pimpelpaarse poes gezien?
Bruine en rode,
gezonde en dode,
en zelfs heptapode poezen heb ik gezien!
Maar een pimpelpaarse poes?
Kind, zelfs in mijn wildste dromen
zijn die nooit voorbijgekomen
- maar! Daar heb je er een, pardoes!
*
Aan de overkant van de bergen
wonen dwergen.
Ze zijn zo klein dat je ze haast niet kunt zien
wel tien maal tien maal tien maal tien
maal zo klein als wij,
klein en blij
en hun dwergenkinderen zijn
nog wel tien maal tien maal tien maal zo klein.
Aan de achterkant van de maan
wonen de mensen die nooit hebben bestaan.
Zes voet diep onder de grond, waar het zonlicht nooit komt
kruipen bleke lichtgevende wezentjes rond.
Ze hebben lange scherpe tanden waarmee ze ´s nachts konijnen vangen
met hun bleke lichtgevende handen graven ze eindeloze gangen
ze zijn licht als de lucht
en gaan zonder gerucht
want hun bleke lichtgevende voeten hebben hele zachte zolen.
Ze dolen en dolen en dolen en dolen…
Aan de achterkant van de maan
doen ze de dingen die nooit zijn gedaan.
Maar het raarste beest
dat er ooit is geweest
is het beest dat woont onder de poten van mijn bed.
Er is geen letter van A tot Z
in het hele alfabet
die een woord kan maken dat zo´n beest beschrijven kan.
Het is nog raarder dan
de raadselachtige rarekieten uit Rararistan!
En aan de achterkant van de maan
komt nooit ergens een einde aan.
voor Nienke Gottenbosch en Madieke (*2001)
Mijn poes is zo pimpelpaars als een poes
maar pimpelpaars kan wezen
zo paars als paarse pompelmoes
of purperen pimpelmezen.
Maar vandaag is hij verdwenen,
zo verdwenen als je er maar niet kunt zijn.
Misschien strekt hij alleen even de benen,
maar de wereld is groot, en mijn poes is maar klein.
Meneer, misschien
heeft u misschien
een pimpelpaarse poes gezien?
Grijze en gele,
halve en hele,
zelfs in drie delen heb ik ze gezien!
Maar een pimpelepoezelepaars?
Kind, wat zeg je me nou voor iets raars?
Zo paars als mijn paarse poes paars is
is nog nooit een poes paars geweest
en omdat dat voor een poes best iets raars is
zou ik willen vragen aan wie dit leest:
als u laatst nog een paarse poes gezien, of anders gehoord heeft
of een idee heeft van waar hij nu kan zijn
en als u dat wat u weet ook even aan mij doorgeeft
dan vind ik dat heel aardig en heel fijn.
Meneer, misschien
heeft u misschien
een pimpelpaarse poes gezien?
Groene en paarse,
gewone en schaarse,
op zevenmijlslaarzen, ik heb ze niet gezien!
Want een poezelepaarsepimpel –
kind, dat is eigenlijk toch heel simpel:
die heb ik niet langs zien gaan
want zo’n poes kan niet bestaan.
Pimpeltje, paarsje, pimpelpaars poesje,
waar ben je? waar was je? waar ben je gebleven?
Poezelig beestje, mijn paarsharig snoesje,
ik vraag me haast af of je nog wel zou leven.
Ik vraag me haast af of je niet toch gewoon thuis bent
en je baasje wilt foppen en verstoppertje speelt –
maar als ik dan niet eens weet of je in of uit huis bent,
hoe weet ik dan zo zeker dat ik me jou niet heb verbeeld?
Meneer, misschien
heeft u misschien
een pimpelpaarse poes gezien?
Bruine en rode,
gezonde en dode,
en zelfs heptapode poezen heb ik gezien!
Maar een pimpelpaarse poes?
Kind, zelfs in mijn wildste dromen
zijn die nooit voorbijgekomen
- maar! Daar heb je er een, pardoes!
*
Aan de overkant van de bergen
wonen dwergen.
Ze zijn zo klein dat je ze haast niet kunt zien
wel tien maal tien maal tien maal tien
maal zo klein als wij,
klein en blij
en hun dwergenkinderen zijn
nog wel tien maal tien maal tien maal zo klein.
Aan de achterkant van de maan
wonen de mensen die nooit hebben bestaan.
Zes voet diep onder de grond, waar het zonlicht nooit komt
kruipen bleke lichtgevende wezentjes rond.
Ze hebben lange scherpe tanden waarmee ze ´s nachts konijnen vangen
met hun bleke lichtgevende handen graven ze eindeloze gangen
ze zijn licht als de lucht
en gaan zonder gerucht
want hun bleke lichtgevende voeten hebben hele zachte zolen.
Ze dolen en dolen en dolen en dolen…
Aan de achterkant van de maan
doen ze de dingen die nooit zijn gedaan.
Maar het raarste beest
dat er ooit is geweest
is het beest dat woont onder de poten van mijn bed.
Er is geen letter van A tot Z
in het hele alfabet
die een woord kan maken dat zo´n beest beschrijven kan.
Het is nog raarder dan
de raadselachtige rarekieten uit Rararistan!
En aan de achterkant van de maan
komt nooit ergens een einde aan.
maandag 28 januari 2008
Floris Cohen herschept de wereld
Floris Cohen en Steven Shapin hebben beiden ooit een boek geschreven met de titel The Scientific Revolution. Het kan haast niet anders of dit zijn twee compleet verschillende boeken. En inderdaad.
Floris Cohen, die eerder in Quantifying Music concludeerde dat de 17e-eeuwse 'wetenschap van de muziek' gelukkig weinig invloed heeft gehad op de muziekpraktijk, maakt eerst een overzicht van verschillende opvattingen van de wetenschappelijke revolutie, om deze vervolgens te toetsen door vergelijking met de Arabische en Chinese geschiedenis. Het idee daarachter is dat er bepaalde redenen moeten zijn waarom daar geen wetenschappelijke revolutie is opgetreden, en dat je door die redenen te achterhalen beter kunt begrijpen wat 'de wetenschappelijke revolutie' nu eigenlijk was.
Steven Shapin ziet dat als een misplaatste vorm van essentialisme, alsof er zoiets is als 'Wetenschap', gedefiniëerd door een 'Wetenschappelijke Methode'. There was no such thing as the Scientific Revolution, and this is a book about it. Voor Shapin is het onzin om van een 'revolutie' te spreken als misschien honderd tijdgenoten de Principia van Newton lazen, en nog minder het begrepen. Natuurlijk is de wereld ingrijpend veranderd door het werk van Newton en zijn voorgangers en navolgers, maar het helpt niet om die verandering te verklaren vanuit de ontdekking van een methode of een breuk in het paradigma. Telescoopkijken en differentiaalrekenen is al moeilijk genoeg.
Floris Cohen heeft nu zijn opvattingen uiteen gezet voor de Nederlandse krantlezer in een nieuw boek, De herschepping van de wereld, ter voorbereiding op het omvangrijkere en engelstalige How Modern Science came into the World, dat over een goed jaar moet uitkomen.
Cohen ergert zich duidelijk flink aan de 'radical chic' van Steven Shapin - alsof het bevredigend is om de ontwikkeling van de moderne natuurwetenschap te omschrijven als een verandering van een scala aan sociale praktijken. Alsof het allemaal vanzelf gaat! "Als u, lezer, meer dan zeg twee eeuwen eerder was geboren", begint hij dreigend, "is de kans groot dat u arm geweest zou zijn, erg arm zelfs". Het punt van de wetenschappelijke revolutie is volgens Cohen niet zozeer dat mensen aan het wetenschapperen slaan. Dat deden ze in de Oudheid ook al, en in China, en in het Kalifaat, en in middeleeuws Europa. Maar steeds weer eindigden die opbloeiingen na een of twee eeuwen in een onvermijdelijke neergang, en de boer die ploegde voort. De vraag is: waarom gebeurde dat in het moderne Europa niet?
Daarmee stelt Cohen een uiterst zinnige vraag, waar Shapin al te gemakkelijk aan voorbij gaat. 'Scientific facts require upkeep', heeft Bruno Latour al eens vastgesteld. Het is een ding dat je gaat onderzoeken en meten, maar het wordt pas een wetenschap als anderen je resultaten reproduceren en uitwerken. Ook al bevindt het zich in een bibliotheek, wanneer er geen aanleiding is om het onderzoek voort te zetten is neergang een volkomen natuurlijk gevolg. En aangezien er nogal een kloof gaapt tussen wetenschappelijk pionierswerk en maatschappelijk nut - er is geen mens genezen door Harvey of Vesalius, en Galilei's ballistiek heeft pas twee eeuwen later betere kanonnen opgeleverd - had die neergang net zo goed in de 17e eeuw kunnen optreden, eventueel geholpen door godsdienstoorlogen en plunderende Turken.
"Europa is door het oog van de naald gekropen", stelt Cohen vast. Als de Dertigjarige Oorlog was blijven doorwoeden, en de Engelsen niet hun eigen oorlog van allen tegen allen hadden gestaakt, en als de heren vorsten niet van het financieren van wetenschappers een prestige-project hadden gemaakt waarvan het toekomstige rendement onzeker was, dan had de doorbraak van Newton nooit kunnen plaatsvinden. En dan nog was er een fanatieke mafkees in Cambridge voor nodig, die niet tevreden was met briljante ingaven zoals Robert Hooke, of met betrouwbare benaderingen zoals Christiaan Huygens, om tientallen jaren met gekmakende precisie aan zijn optica en zijn duistere gravitatieconstanten te meten en rekenen, tussen de alchemie door.
In Quantifying Music omschrijft Cohen zijn doelstelling als "reconstructing the problem situation in the science of a given period", waarbij hij zich op Popper beroept. In De herschepping van de wereld resulteert dit in een beschrijving van verschillende manieren van wetenschap bedrijven die opmerkelijk overeenkomt met Shapin's 'diverse practices': er is een speculatief-theoretische benadering, een metende-en-rekenende, en een mechanisch-experimentele. Dat die benaderingen volgens Cohen samen zijn gekomen in het werk van Newton, betekent niet dat hij gelooft in een uniforme 'wetenschappelijke methode' - eerder gelooft hij dat het een paradigma in de praktische zin van 'voorbeeld' was.
Wat benadrukt wordt, is hoe weinig die verschillende benaderingen oorspronkelijk gemeen hadden, en hoe toevallig het eigenlijk was dat ze uiteindelijk in dezelfde richting leidden. Cohen begint zijn verhaal met de tegenstelling tussen Athene (een Babel van filosofische speculaties) en Alexandrië (waar het meten en rekenen zich beperkte tot een aantal erkende problemen). Die tradities liepen allebei tegen hun grenzen op en moesten een aantal keer later in de geschiedenis opnieuw 'geïmplanteerd' worden - in het kalifaat van Bagdad, door de vertalers van Toledo, en in renaissancistisch Italië - om nog tot nieuwe resultaten te leiden. Een trendwatcher anno 1600, aldus Cohen, had niet kunnen verwachten dat deze tradities tot revolutionaire nieuwe inzichten zouden leiden, en zelfs als dat tóch gebeurt, bij Descartes en Galilei, blijven beiden in hun eigen straatje steken: doodleuk spreekt Cohen van 'Athene-plus' en 'Alexandrië-plus'.
Maar zo'n volslagen toevallige samenkomst van omstandigheden kan het bij Cohen nou ook weer niet zijn, dat hier uiteindelijk toch de moderne natuurwetenschap uit voortkomt: het is hem er immers om te doen, waarom de wetenschappelijke revolutie zich in Europa heeft voorgedaan en niet in Bagdad of Peking. Met die doelstelling loopt hij het risico van Whig History - de 'context of discovery', met al zijn toevalligheden en onwaarschijnlijkheden, dient dan toch als rechtvaardiging.
Cohen lijkt zich opnieuw op Popper te beroepen, als hij stelt dat "er in zijn vakgebied meer gedaan zou kunnen worden met historische vergelijking", als methode van toetsing. Als dat zijn bedoeling is, dan zal hij met De herschepping van de wereld weinig Popperianen overtuigen. Zijn historische vergelijkingen monden uit in niet-falsificeerbare verklaringen: Europa brengt de moderne wetenschap voort omdat er zo'n scherpe concurrentie tussen verschillende staten bestaat en de blik zo avontuurlijk naar buiten gericht wordt, terwijl het zelfvoldane China in zijn historische overzicht vanaf de Han-dynastie alleen nog maar bezig is met 'uitbouw en verfijning', de Arabische beschaving onder invloed van Mongoolse, Turkse en Berberse invasies 'naar binnen keert', en de verder niet genoemde Indiërs worden geknecht door het 'extreem introverte' Hindoeïsme. Het valt te hopen dat hij in How Modern Science came into the World met iets beters komt dan dit sociaal-darwinistische pleidooi voor concurrentie en ondernemendheid.
Wat is nu precies het verschil tussen Cohen's herschepping van de wereld en Shapin's revolutie die niet plaatsvond? Nuchter beschouwd zijn ze het op meer punten eens dan oneens: wetenschap heeft de wereld ingrijpend veranderd, maar dat heeft wel een tijdje op zich laten wachten; daarbij hebben verschillende benaderingen een rol gespeeld, die niet te reduceren zijn tot één wetenschappelijke methode; natuurwetenschappers hebben geen exclusieve claim op rationaliteit; en de wetenschapshistoricus moet uitgaan van de stand van de wetenschap in de besproken periode. Cohen is op dat laatste punt wat minder consequent, hij redeneert onvermijdelijk naar het resultaat toe, maar daar staat tegenover dat hij geen verklaringen ophangt aan het niet-begrip 'sociale context'. En Shapin stelt dat de vroege wetenschap juist wel degelijk praktische consequenties had, niet zozeer door toepassing van de verworven inzichten als door de spin-off van nieuwe technieken. Cohen benadrukt (met goede redenen) de bijdrage van Hollanders als Beeckman, Stevin en Huygens. Maar dat zijn eigenlijk nuance-verschillen: grotendeels beschrijven ze dezelfde gebeurtenissen met dezelfde hoofdrolspelers. Revolutie, geeft Cohen toe, is ook maar een woord.
De vraag is niet zozeer, of de wereld door de wetenschap 'herschapen' is, maar wat wetenschapsgeschiedenis kan leren over begripsverschuivingen en het al dan niet bestaan van 'wereldbeelden'. Ian Hacking, die net als ik niet in wereldbeelden en sociale constructies gelooft, heeft hiervoor uiterst interessante suggesties gegeven in Historical Ontology. Hacking pleit ervoor het idee van epistemische breuken of paradigma-wisselingen te vervangen door dat van verschuivende 'styles of reasoning', vervlochten met instituties en praktijken, waarbinnen "we constitute ourselves as objects of knowledge, as subjects, and as moral agents".
Wat Hacking niet doet, is die analyse van 'styles of reasoning' in verband brengen met Sellars' idee dat betekenissen en concepten thuishoren in de 'space of reasons'. Het zou nou juist een uitdaging voor wetenschapshistorici moeten zijn, dit uitgangspunt van Sellars te toetsen aan de werkelijkheid - door te kijken hoe vormen van 'verwetenschappelijking' leiden tot conceptuele verschuivingen. Want processen van verwetenschappelijking en daaraan verbonden instutionalisering hebben zich niet alleen in natuurwetenschap en techniek voorgedaan. In hoeverre bijvoorbeeld politiek en economie, maar ook taal, geschiedenis en kunst 'verwetenschappelijkt' zijn, en wat voor gevolgen dat heeft gehad voor conceptformatie en manieren van redeneren, is een open vraag.
Cohen, H.F.: De herschepping van de wereld. Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard, Bert Bakker, Amsterdam 2007; 299 pp.
------: The Scientific revolution. A Historiographical Inquiry, Chicago UP, Chicago & London 1994; 662 pp.
------: Quantifying Music. The Science of Music at the First Stage of the Scientific Revolution, 1580-1650, Reidel, Dordrecht 1984; 308 pp.
Shapin, S.: The Scientific Revolution, Chicago UP, Chicago & London 1996; 218 pp.
Hacking, I.: Historical Ontology, Harvard UP, Cambridge (MA) & London 2002; 288 pp.
Floris Cohen, die eerder in Quantifying Music concludeerde dat de 17e-eeuwse 'wetenschap van de muziek' gelukkig weinig invloed heeft gehad op de muziekpraktijk, maakt eerst een overzicht van verschillende opvattingen van de wetenschappelijke revolutie, om deze vervolgens te toetsen door vergelijking met de Arabische en Chinese geschiedenis. Het idee daarachter is dat er bepaalde redenen moeten zijn waarom daar geen wetenschappelijke revolutie is opgetreden, en dat je door die redenen te achterhalen beter kunt begrijpen wat 'de wetenschappelijke revolutie' nu eigenlijk was.
Steven Shapin ziet dat als een misplaatste vorm van essentialisme, alsof er zoiets is als 'Wetenschap', gedefiniëerd door een 'Wetenschappelijke Methode'. There was no such thing as the Scientific Revolution, and this is a book about it. Voor Shapin is het onzin om van een 'revolutie' te spreken als misschien honderd tijdgenoten de Principia van Newton lazen, en nog minder het begrepen. Natuurlijk is de wereld ingrijpend veranderd door het werk van Newton en zijn voorgangers en navolgers, maar het helpt niet om die verandering te verklaren vanuit de ontdekking van een methode of een breuk in het paradigma. Telescoopkijken en differentiaalrekenen is al moeilijk genoeg.
Floris Cohen heeft nu zijn opvattingen uiteen gezet voor de Nederlandse krantlezer in een nieuw boek, De herschepping van de wereld, ter voorbereiding op het omvangrijkere en engelstalige How Modern Science came into the World, dat over een goed jaar moet uitkomen.Cohen ergert zich duidelijk flink aan de 'radical chic' van Steven Shapin - alsof het bevredigend is om de ontwikkeling van de moderne natuurwetenschap te omschrijven als een verandering van een scala aan sociale praktijken. Alsof het allemaal vanzelf gaat! "Als u, lezer, meer dan zeg twee eeuwen eerder was geboren", begint hij dreigend, "is de kans groot dat u arm geweest zou zijn, erg arm zelfs". Het punt van de wetenschappelijke revolutie is volgens Cohen niet zozeer dat mensen aan het wetenschapperen slaan. Dat deden ze in de Oudheid ook al, en in China, en in het Kalifaat, en in middeleeuws Europa. Maar steeds weer eindigden die opbloeiingen na een of twee eeuwen in een onvermijdelijke neergang, en de boer die ploegde voort. De vraag is: waarom gebeurde dat in het moderne Europa niet?
Daarmee stelt Cohen een uiterst zinnige vraag, waar Shapin al te gemakkelijk aan voorbij gaat. 'Scientific facts require upkeep', heeft Bruno Latour al eens vastgesteld. Het is een ding dat je gaat onderzoeken en meten, maar het wordt pas een wetenschap als anderen je resultaten reproduceren en uitwerken. Ook al bevindt het zich in een bibliotheek, wanneer er geen aanleiding is om het onderzoek voort te zetten is neergang een volkomen natuurlijk gevolg. En aangezien er nogal een kloof gaapt tussen wetenschappelijk pionierswerk en maatschappelijk nut - er is geen mens genezen door Harvey of Vesalius, en Galilei's ballistiek heeft pas twee eeuwen later betere kanonnen opgeleverd - had die neergang net zo goed in de 17e eeuw kunnen optreden, eventueel geholpen door godsdienstoorlogen en plunderende Turken.
"Europa is door het oog van de naald gekropen", stelt Cohen vast. Als de Dertigjarige Oorlog was blijven doorwoeden, en de Engelsen niet hun eigen oorlog van allen tegen allen hadden gestaakt, en als de heren vorsten niet van het financieren van wetenschappers een prestige-project hadden gemaakt waarvan het toekomstige rendement onzeker was, dan had de doorbraak van Newton nooit kunnen plaatsvinden. En dan nog was er een fanatieke mafkees in Cambridge voor nodig, die niet tevreden was met briljante ingaven zoals Robert Hooke, of met betrouwbare benaderingen zoals Christiaan Huygens, om tientallen jaren met gekmakende precisie aan zijn optica en zijn duistere gravitatieconstanten te meten en rekenen, tussen de alchemie door.
In Quantifying Music omschrijft Cohen zijn doelstelling als "reconstructing the problem situation in the science of a given period", waarbij hij zich op Popper beroept. In De herschepping van de wereld resulteert dit in een beschrijving van verschillende manieren van wetenschap bedrijven die opmerkelijk overeenkomt met Shapin's 'diverse practices': er is een speculatief-theoretische benadering, een metende-en-rekenende, en een mechanisch-experimentele. Dat die benaderingen volgens Cohen samen zijn gekomen in het werk van Newton, betekent niet dat hij gelooft in een uniforme 'wetenschappelijke methode' - eerder gelooft hij dat het een paradigma in de praktische zin van 'voorbeeld' was.
Wat benadrukt wordt, is hoe weinig die verschillende benaderingen oorspronkelijk gemeen hadden, en hoe toevallig het eigenlijk was dat ze uiteindelijk in dezelfde richting leidden. Cohen begint zijn verhaal met de tegenstelling tussen Athene (een Babel van filosofische speculaties) en Alexandrië (waar het meten en rekenen zich beperkte tot een aantal erkende problemen). Die tradities liepen allebei tegen hun grenzen op en moesten een aantal keer later in de geschiedenis opnieuw 'geïmplanteerd' worden - in het kalifaat van Bagdad, door de vertalers van Toledo, en in renaissancistisch Italië - om nog tot nieuwe resultaten te leiden. Een trendwatcher anno 1600, aldus Cohen, had niet kunnen verwachten dat deze tradities tot revolutionaire nieuwe inzichten zouden leiden, en zelfs als dat tóch gebeurt, bij Descartes en Galilei, blijven beiden in hun eigen straatje steken: doodleuk spreekt Cohen van 'Athene-plus' en 'Alexandrië-plus'.
Maar zo'n volslagen toevallige samenkomst van omstandigheden kan het bij Cohen nou ook weer niet zijn, dat hier uiteindelijk toch de moderne natuurwetenschap uit voortkomt: het is hem er immers om te doen, waarom de wetenschappelijke revolutie zich in Europa heeft voorgedaan en niet in Bagdad of Peking. Met die doelstelling loopt hij het risico van Whig History - de 'context of discovery', met al zijn toevalligheden en onwaarschijnlijkheden, dient dan toch als rechtvaardiging.
Cohen lijkt zich opnieuw op Popper te beroepen, als hij stelt dat "er in zijn vakgebied meer gedaan zou kunnen worden met historische vergelijking", als methode van toetsing. Als dat zijn bedoeling is, dan zal hij met De herschepping van de wereld weinig Popperianen overtuigen. Zijn historische vergelijkingen monden uit in niet-falsificeerbare verklaringen: Europa brengt de moderne wetenschap voort omdat er zo'n scherpe concurrentie tussen verschillende staten bestaat en de blik zo avontuurlijk naar buiten gericht wordt, terwijl het zelfvoldane China in zijn historische overzicht vanaf de Han-dynastie alleen nog maar bezig is met 'uitbouw en verfijning', de Arabische beschaving onder invloed van Mongoolse, Turkse en Berberse invasies 'naar binnen keert', en de verder niet genoemde Indiërs worden geknecht door het 'extreem introverte' Hindoeïsme. Het valt te hopen dat hij in How Modern Science came into the World met iets beters komt dan dit sociaal-darwinistische pleidooi voor concurrentie en ondernemendheid.
Wat is nu precies het verschil tussen Cohen's herschepping van de wereld en Shapin's revolutie die niet plaatsvond? Nuchter beschouwd zijn ze het op meer punten eens dan oneens: wetenschap heeft de wereld ingrijpend veranderd, maar dat heeft wel een tijdje op zich laten wachten; daarbij hebben verschillende benaderingen een rol gespeeld, die niet te reduceren zijn tot één wetenschappelijke methode; natuurwetenschappers hebben geen exclusieve claim op rationaliteit; en de wetenschapshistoricus moet uitgaan van de stand van de wetenschap in de besproken periode. Cohen is op dat laatste punt wat minder consequent, hij redeneert onvermijdelijk naar het resultaat toe, maar daar staat tegenover dat hij geen verklaringen ophangt aan het niet-begrip 'sociale context'. En Shapin stelt dat de vroege wetenschap juist wel degelijk praktische consequenties had, niet zozeer door toepassing van de verworven inzichten als door de spin-off van nieuwe technieken. Cohen benadrukt (met goede redenen) de bijdrage van Hollanders als Beeckman, Stevin en Huygens. Maar dat zijn eigenlijk nuance-verschillen: grotendeels beschrijven ze dezelfde gebeurtenissen met dezelfde hoofdrolspelers. Revolutie, geeft Cohen toe, is ook maar een woord.
De vraag is niet zozeer, of de wereld door de wetenschap 'herschapen' is, maar wat wetenschapsgeschiedenis kan leren over begripsverschuivingen en het al dan niet bestaan van 'wereldbeelden'. Ian Hacking, die net als ik niet in wereldbeelden en sociale constructies gelooft, heeft hiervoor uiterst interessante suggesties gegeven in Historical Ontology. Hacking pleit ervoor het idee van epistemische breuken of paradigma-wisselingen te vervangen door dat van verschuivende 'styles of reasoning', vervlochten met instituties en praktijken, waarbinnen "we constitute ourselves as objects of knowledge, as subjects, and as moral agents".
Wat Hacking niet doet, is die analyse van 'styles of reasoning' in verband brengen met Sellars' idee dat betekenissen en concepten thuishoren in de 'space of reasons'. Het zou nou juist een uitdaging voor wetenschapshistorici moeten zijn, dit uitgangspunt van Sellars te toetsen aan de werkelijkheid - door te kijken hoe vormen van 'verwetenschappelijking' leiden tot conceptuele verschuivingen. Want processen van verwetenschappelijking en daaraan verbonden instutionalisering hebben zich niet alleen in natuurwetenschap en techniek voorgedaan. In hoeverre bijvoorbeeld politiek en economie, maar ook taal, geschiedenis en kunst 'verwetenschappelijkt' zijn, en wat voor gevolgen dat heeft gehad voor conceptformatie en manieren van redeneren, is een open vraag.
Cohen, H.F.: De herschepping van de wereld. Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard, Bert Bakker, Amsterdam 2007; 299 pp.
------: The Scientific revolution. A Historiographical Inquiry, Chicago UP, Chicago & London 1994; 662 pp.
------: Quantifying Music. The Science of Music at the First Stage of the Scientific Revolution, 1580-1650, Reidel, Dordrecht 1984; 308 pp.
Shapin, S.: The Scientific Revolution, Chicago UP, Chicago & London 1996; 218 pp.
Hacking, I.: Historical Ontology, Harvard UP, Cambridge (MA) & London 2002; 288 pp.
zondag 20 januari 2008
De hofnar en de schooldirecteur
Twee keer in zijn leven werd Plato met groot vertoon in Syracuse onthaald, en twee keer ging hij af door de achterdeur. De eerste keer antwoordde hij de tiran Dionysos I, die zei dat Plato praatte als een oud mannetje, "en u als een tirannetje". Naar verluidt werd hij daarna als slaaf verkocht en terug naar Hellas getransporteerd, om daar door de koper te worden vrijgelaten. De tweede keer verdeed hij vooral zijn tijd met een jonge koning die eerder wijsneuzig dan leergierig was, en met een vruchteloze lobby voor zijn eigen volgeling Dion, om uiteindelijk buiten het hof het nieuwe vaarseizoen af te wachten.
Hans Dijkhuis wijdt aan beide episodes een hoofdstuk in zijn boek De machtige filosoof: Een andere geschiedenis van de Griekse wijsbegeerte, en lijkt daarmee zijn eigen titel tegen te spreken. Hoewel hij 'de bijzondere symbiose die in de Griekse Oudheid tussen vorst en filosoof bestond' wil beschrijven, vat hij de relatie tussen vorsten en wijsgeren zo op dat er nauwelijks iets vruchtbaars uit kan voortkomen: hetzij de filosofen schikken zich in een ondergeschikte rol als een soort van hofnar, hetzij ze brengen zichzelf in de problemen door al te veel eerlijkheid en 'parrhesia' (vrijheid van spreken). En als ze dan eens zelf de macht grijpen, zoals Dion een paar jaar later in Syracuse, en Hermias in Assos (Kl.-Azië), lopen ze stuk op falende volksgunst, raison d'état en verraad. Hoezo 'machtige filosofen'? In Dijkhuis' verhaal houdt de filosofie al gauw op waar de macht begint.
Dat heeft ook iets met het professionele ethos te maken. De taak van de klassieke wijsgeer bestaat volgens Dijkhuis vooral uit 'leren leven': of zoals Aristippos, zelf een hofparasiet, het samenvat: 'Als alle wetten zouden worden opgeheven, zouden de filosofen degenen zijn die gewoon doorgingen met wat ze toch al deden'. Die taakopvatting blijkt wel op heel verschillende manieren te kunnen worden opgevat: voor Aristippos betekent het met een nuchter hoofd je eigen welzijn en genot nastreven, terwijl Diogenes in een ton woont en Antisthenes het alleen aanlegt met vrouwen die zo lelijk zijn, dat ze zelfs met de aandacht van een morsige filosoof blij zijn. Maar allemaal hebben de filosofen zo hun eigen vorm van verhevenheid boven valse verlangens en waandenkbeelden, die ze geschikt maakt om rede en deugd te volgen en te onderwijzen.
De machtige filosoof wordt zo een opsomming van pogingen om het filosofische ethos in de politieke praktijk te brengen. Voor zover er sprake is van 'symbiose', speelt de filosoof daarbij niet zozeer de rol van raadgever als van opvoeder en onderwijzer. Weliswaar is een filosofische opleiding geen garantie voor deugd - zie Alexander en Alcibiades - maar het is wel nuttig om te realiseren dat Plato en Aristoteles ook schooldirecteuren waren, en samen met de 'sofisten' zelfs de uitvinders van het hoger onderwijs.
Dijkhuis schiet hopeloos tekort in zijn behandeling van dit onderwerp. De rol van wijsgeren als opvoeder en onderwijzer in de Oudheid is dubbelzinnig: enerzijds scheppen ze instituties en een curriculum, bieden lessen aan in welsprekendheid en argumentatie, en vervullen daarbij een maatschappelijke rol; anderzijds fungeren ze als jeugdbedervers, die veelbelovende jongelui hun carrière laten vergooien, sektarische gemeenschappen stichten en esoterische leerling-meester-relaties aangaan. Door de filosofen verandert de hele samenleving, niet zozeer door de invloed die ze uitoefenen op leerling A of machthebber B, maar doordat jonge Grieken een nieuwe mogelijkheid en een nieuw probleem voorgeschoteld krijgen: ze moeten zichzelf 'ontwikkelen'. De term Paideia krijgt een zelfde soort extra betekenis als tweeduizend jaar later Bildung.
Hans Dijkhuis wijdt aan beide episodes een hoofdstuk in zijn boek De machtige filosoof: Een andere geschiedenis van de Griekse wijsbegeerte, en lijkt daarmee zijn eigen titel tegen te spreken. Hoewel hij 'de bijzondere symbiose die in de Griekse Oudheid tussen vorst en filosoof bestond' wil beschrijven, vat hij de relatie tussen vorsten en wijsgeren zo op dat er nauwelijks iets vruchtbaars uit kan voortkomen: hetzij de filosofen schikken zich in een ondergeschikte rol als een soort van hofnar, hetzij ze brengen zichzelf in de problemen door al te veel eerlijkheid en 'parrhesia' (vrijheid van spreken). En als ze dan eens zelf de macht grijpen, zoals Dion een paar jaar later in Syracuse, en Hermias in Assos (Kl.-Azië), lopen ze stuk op falende volksgunst, raison d'état en verraad. Hoezo 'machtige filosofen'? In Dijkhuis' verhaal houdt de filosofie al gauw op waar de macht begint.Dat heeft ook iets met het professionele ethos te maken. De taak van de klassieke wijsgeer bestaat volgens Dijkhuis vooral uit 'leren leven': of zoals Aristippos, zelf een hofparasiet, het samenvat: 'Als alle wetten zouden worden opgeheven, zouden de filosofen degenen zijn die gewoon doorgingen met wat ze toch al deden'. Die taakopvatting blijkt wel op heel verschillende manieren te kunnen worden opgevat: voor Aristippos betekent het met een nuchter hoofd je eigen welzijn en genot nastreven, terwijl Diogenes in een ton woont en Antisthenes het alleen aanlegt met vrouwen die zo lelijk zijn, dat ze zelfs met de aandacht van een morsige filosoof blij zijn. Maar allemaal hebben de filosofen zo hun eigen vorm van verhevenheid boven valse verlangens en waandenkbeelden, die ze geschikt maakt om rede en deugd te volgen en te onderwijzen.
De machtige filosoof wordt zo een opsomming van pogingen om het filosofische ethos in de politieke praktijk te brengen. Voor zover er sprake is van 'symbiose', speelt de filosoof daarbij niet zozeer de rol van raadgever als van opvoeder en onderwijzer. Weliswaar is een filosofische opleiding geen garantie voor deugd - zie Alexander en Alcibiades - maar het is wel nuttig om te realiseren dat Plato en Aristoteles ook schooldirecteuren waren, en samen met de 'sofisten' zelfs de uitvinders van het hoger onderwijs.
Dijkhuis schiet hopeloos tekort in zijn behandeling van dit onderwerp. De rol van wijsgeren als opvoeder en onderwijzer in de Oudheid is dubbelzinnig: enerzijds scheppen ze instituties en een curriculum, bieden lessen aan in welsprekendheid en argumentatie, en vervullen daarbij een maatschappelijke rol; anderzijds fungeren ze als jeugdbedervers, die veelbelovende jongelui hun carrière laten vergooien, sektarische gemeenschappen stichten en esoterische leerling-meester-relaties aangaan. Door de filosofen verandert de hele samenleving, niet zozeer door de invloed die ze uitoefenen op leerling A of machthebber B, maar doordat jonge Grieken een nieuwe mogelijkheid en een nieuw probleem voorgeschoteld krijgen: ze moeten zichzelf 'ontwikkelen'. De term Paideia krijgt een zelfde soort extra betekenis als tweeduizend jaar later Bildung.
De vraag is nu: wat kon een jonge Griek (liefst met geld) zoal leren? Welke kennis was waar te krijgen, en hoe werd een afweging gemaakt?
Daarover staat in De machtige filosoof verdomd weinig. Het is niet als een academisch werk bedoeld, maar dat is geen excuus - voor de 'gewone lezer' is het toch ook interessanter om te weten hoe een Griekse opleiding eruit zag, dan om anekdotes te lezen over tamelijk verwisselbare figuren?
Want wat de filosofen in deze 'andere geschiedenis' vooral doen, is hun eigen vorm van 'coolness' etaleren. Ze laten zich uitnodigen door de groten der aarde, weigeren vorstelijke geschenken, vragen of Alexander uit hun zon wil gaan staan, en blijven zelfs bij hun executie spitsvondig. Aangezien de meeste filosofen alleen in anekdotes en citaten bewaard zijn gebleven, valt er op deze manier ook niet veel anders over te vertellen.
Het resultaat is niet zozeer een 'andere geschiedenis' van de Griekse wijsbegeerte als een 'andere inleiding'. En daar is niks mis mee. De machtige filosoof is zeker onderhoudender om te lezen dan de geschiedenissen voor gebruik in eerstejaarscolleges. Onderhoudender, ook, dan De Vloek van Oedipus van de grote Leezenberg, in 2006 verschenen bij Van Gennep. Dat bevat meer interessante inzichten, en is even publieksvriendelijk geschreven. Maar Leezenberg wil teveel allebei tegelijk, en struikelt over gedachtesprongen die voor de krantenrecensent onbevattelijk en voor de wetenschapper te springerig zijn. [recensie in Cimedart #1, 06-07]
Hans Dijkhuis: De machtige filosoof: Een andere geschiedenis van de Griekse wijsbegeerte, Boom, Meppel 2007, 460 pp.
Daarover staat in De machtige filosoof verdomd weinig. Het is niet als een academisch werk bedoeld, maar dat is geen excuus - voor de 'gewone lezer' is het toch ook interessanter om te weten hoe een Griekse opleiding eruit zag, dan om anekdotes te lezen over tamelijk verwisselbare figuren?
Want wat de filosofen in deze 'andere geschiedenis' vooral doen, is hun eigen vorm van 'coolness' etaleren. Ze laten zich uitnodigen door de groten der aarde, weigeren vorstelijke geschenken, vragen of Alexander uit hun zon wil gaan staan, en blijven zelfs bij hun executie spitsvondig. Aangezien de meeste filosofen alleen in anekdotes en citaten bewaard zijn gebleven, valt er op deze manier ook niet veel anders over te vertellen.
Het resultaat is niet zozeer een 'andere geschiedenis' van de Griekse wijsbegeerte als een 'andere inleiding'. En daar is niks mis mee. De machtige filosoof is zeker onderhoudender om te lezen dan de geschiedenissen voor gebruik in eerstejaarscolleges. Onderhoudender, ook, dan De Vloek van Oedipus van de grote Leezenberg, in 2006 verschenen bij Van Gennep. Dat bevat meer interessante inzichten, en is even publieksvriendelijk geschreven. Maar Leezenberg wil teveel allebei tegelijk, en struikelt over gedachtesprongen die voor de krantenrecensent onbevattelijk en voor de wetenschapper te springerig zijn. [recensie in Cimedart #1, 06-07]
Hans Dijkhuis: De machtige filosoof: Een andere geschiedenis van de Griekse wijsbegeerte, Boom, Meppel 2007, 460 pp.
vrijdag 4 januari 2008
Muzikale belevenissen in 2007
Terwijl ik dit schrijf ben ik naar Able to be aan het luisteren, de cd/dvd van Electra, het electro-acoustische zang-viool-percussie-blokfluit-dameskwartet dat veel in de sfeer van crossovers en multimedia werkt en zich nu voor het nieuwe project Industry gaat toeleggen op muziektheater. 2007 had muzikaal gezien slechter kunnen eindigen dan met de presentatie van deze dubbelplaat, 27 december in het Bimhuis, waar met de bijbehorende bubbels alvast geoefend kon worden voor de nieuwjaarskater.

David Dramm schreef met Baton Rouge Massacre een mix van renaissancistische blokfluit en Steve-Reich-achtige percussie, op een verhaal over een gouverneursfamilie in Louisiana die de tragedie van Agamemnon & family in het echt overdeed. Jacob ter Veldhuis, die zichzelf uit marketing-overwegingen 'Jacob TV' noemt, vatte de tragiek van Marilyn Monroe in een combinatie van geneurie, gegil en geraaskal, die muzikaal simpel maar effectief in elkaar zit en de losse flarden tekst ('I get goose pimply all over ... I am a mistake, my mother never wanted me ... what I would like to be, that is what I would like to accomblish: to be a good actress ... to die young ... would you?') doet inslaan. Jammer van de al te veel huisvlijterig gefotoshopt aandoende video, vooral direct na Seeds of Paradise van Ron Ford, op een film van J.C. Mol met ontluikende en verwelkende bloemen (1932, uit het Filmmuseum). Wel een wat lijzig stuk, met haiku's, maar ook weer meer dan een begeleider van de film.
Ik probeer me ijverig te herinneren wat de drie overige dames ook al weer deden tijdens de percussiesolo in Corrie van Binsbergen's The Fifth Element. Op hun knieën bij elkaar neerhurken en woordeloos zingen, geloof ik. Of misschien is dat de live sampling, dat kan ik op de plaat niet horen. Hoe dan ook, een stuk met een grote klankvariatie, gegurgel en geschraap uit de basblokfluit aan het begin, een gipsy vioolscherzo die de finale inleidt, na de waterkeldergeluiden uit de marimba van deel 3. Pas bij aandachtige herbeluistering voor deze post begrijp ik waarom ik het het beste stuk van het concert vond, want het leent zich niet als achtergrondmuziek.
Daarna twee hilarische afsluiters, met filmpjes over de schepping der wereld uit de aktetas van de ambtenaar en de edele kunst van het gifmengen. Susanna Borsch, de blokfluit van het kwartet, gaf overigens vorig jaar bij Karnatic Lab records Off-limits uit, een soloplaat voor electro-acoustische blokfluit met vergelijkbaar energieke en nog veel dansbaardere muziek, waar je niet je brein voor uit hoeft te schakelen om je voeten te volgen. En net als Able to be voorzien van een prikkelende coverfoto, met Susanna op haar kop in een overall temidden van haar fluit- en samplingarsenaal.
Zo. Dat was alvast het goede nieuws van 2007: een afsluiting die even hilarisch en feestelijk was als het jaar daarvoor Mauricio Kagel's ...den 24.xii.1931, waarin o.a. de instorting van de Vaticaanse bibliotheek onstage werd geïmiteerd met een kast vol puin aan het spit. Te lachen viel er ook het jaar er tussenin genoeg, met Cora Schmeisser's programma Vier tijdens de Suite Muziekweek (ma 1/11, zie mijn post van 8/11), en met Arnold Marinissen tijdens Aqua Musica en het Grachtenfestival. Met name het stuk van de kameropera-in-aanmaak van Cecilia Arditto, dat hij opvoerde in het ruim van een woonboot tijdens dat eerste festival, maakt hongerig naar meer.

David Dramm schreef met Baton Rouge Massacre een mix van renaissancistische blokfluit en Steve-Reich-achtige percussie, op een verhaal over een gouverneursfamilie in Louisiana die de tragedie van Agamemnon & family in het echt overdeed. Jacob ter Veldhuis, die zichzelf uit marketing-overwegingen 'Jacob TV' noemt, vatte de tragiek van Marilyn Monroe in een combinatie van geneurie, gegil en geraaskal, die muzikaal simpel maar effectief in elkaar zit en de losse flarden tekst ('I get goose pimply all over ... I am a mistake, my mother never wanted me ... what I would like to be, that is what I would like to accomblish: to be a good actress ... to die young ... would you?') doet inslaan. Jammer van de al te veel huisvlijterig gefotoshopt aandoende video, vooral direct na Seeds of Paradise van Ron Ford, op een film van J.C. Mol met ontluikende en verwelkende bloemen (1932, uit het Filmmuseum). Wel een wat lijzig stuk, met haiku's, maar ook weer meer dan een begeleider van de film.
Ik probeer me ijverig te herinneren wat de drie overige dames ook al weer deden tijdens de percussiesolo in Corrie van Binsbergen's The Fifth Element. Op hun knieën bij elkaar neerhurken en woordeloos zingen, geloof ik. Of misschien is dat de live sampling, dat kan ik op de plaat niet horen. Hoe dan ook, een stuk met een grote klankvariatie, gegurgel en geschraap uit de basblokfluit aan het begin, een gipsy vioolscherzo die de finale inleidt, na de waterkeldergeluiden uit de marimba van deel 3. Pas bij aandachtige herbeluistering voor deze post begrijp ik waarom ik het het beste stuk van het concert vond, want het leent zich niet als achtergrondmuziek.
Daarna twee hilarische afsluiters, met filmpjes over de schepping der wereld uit de aktetas van de ambtenaar en de edele kunst van het gifmengen. Susanna Borsch, de blokfluit van het kwartet, gaf overigens vorig jaar bij Karnatic Lab records Off-limits uit, een soloplaat voor electro-acoustische blokfluit met vergelijkbaar energieke en nog veel dansbaardere muziek, waar je niet je brein voor uit hoeft te schakelen om je voeten te volgen. En net als Able to be voorzien van een prikkelende coverfoto, met Susanna op haar kop in een overall temidden van haar fluit- en samplingarsenaal.
Zo. Dat was alvast het goede nieuws van 2007: een afsluiting die even hilarisch en feestelijk was als het jaar daarvoor Mauricio Kagel's ...den 24.xii.1931, waarin o.a. de instorting van de Vaticaanse bibliotheek onstage werd geïmiteerd met een kast vol puin aan het spit. Te lachen viel er ook het jaar er tussenin genoeg, met Cora Schmeisser's programma Vier tijdens de Suite Muziekweek (ma 1/11, zie mijn post van 8/11), en met Arnold Marinissen tijdens Aqua Musica en het Grachtenfestival. Met name het stuk van de kameropera-in-aanmaak van Cecilia Arditto, dat hij opvoerde in het ruim van een woonboot tijdens dat eerste festival, maakt hongerig naar meer.
En natuurlijk, Fabian Svenssons Tillvaratagna effekter - 25 unfettered movements for violin and electric guitar ensemble - zie mijn verslag van de Gaudeamus muziekweek (3), za 8/11.
In de categorie 'bravoure' gooit Mathias Reumert grote ogen door het Gaudeamus vertolkers concours te winnen met een stuk voor tape en maracas. Hij bedenkt er zelf een hele show bij, maar aangezien hij het stuk niet zelf gemaakt heeft, is het toch wel een muzikaal magere prestatie in vergelijking met het pianogeweld van Ashley Hribar twee jaar eerder. Sowieso een tegenvaller, dit concours; in 2005, toen mijn liefde voor de nieuwe muziek nog pril was, had ik de tijd van mijn leven daar en denk nog steeds aan de halve finalisten en de nummer 4.
Nog meer bravoure, maar dan van een beter soort, toonde Kyle Gann met zijn kameropera voor spreekstem en tape Custer and Sitting Bull, tijdens het Karnatic Lab van 9 oktober in de Badcuyp. Voor de gelegenheid getooid met een cowboyhoed, en van nature gewapend met een Texaans accent, draagt hij een collage voor van fragmenten uit Custer's eerdere krijgsraadberechting, en speeches en profetiën van Sitting Bull, waarmee hij wat mij betreft de stomvervelende cd Nude rolling down an escalator meer dan goed heeft gemaakt. Samuel Vriezen weet te vertellen dat het hier een nieuwe versie betreft, nadat Kyle tot het inzicht was gekomen dat je voor goede tape toch echte geluidstechnici nodig hebt. Gann schrijft trouwens ook een onvolprezen blog over nieuwe muziek, voor zover ik weet het beste blog dat er over het onderwerp te vinden is.
Hulde, tevens, voor de violiste Marleen Wester en de cellist John Addison, smaakmakers op het Gaudeamus festival.
Gemist, helaas: veel concerten tijdens het Holland Festival. Ik had mezelf beloofd de final draft van mijn scriptie af te hebben voor ik 25 werd, en hoewel dat een schitterende verjaardag opleverde (met de verlossende commando's 'save' en 'print') ging het wel ten koste van One, de eensopraansopera van Michel van der Aa, Quatre Chants pour Franchir la Seuil, en het Ives Ensemble met stukken van Jonathan Harvey.
Harvey's opera Wagner Dream hoorde ik wel op de radio, maar was als ik er naar toe was gegaan op de lijst van tegenvallers beland. Als Harvey nou zijn muzikale talent met een helder hoofd zou toepassen, zou hij muziek kunnen maken die kleuriger is dan Ferneyhough en complexer dan Murail. In plaats daarvan is hij gaan reli-shoppen in het Boeddhisme en de antroposofie, en daardoor vervallen tot reli-kitsch. Tragisch, of eigenlijk eerder walgelijk. Floris Don, waarom heb je zo'n kritiekloos stuk over de man geschreven in Odeon ?
Ook gemist, helaas: het Nederlands Vocaal Laboratorium tijdens de Gaudeamus Muziekweek. En het grootste deel van het Output Festival.
Een belofte voor 2008: Samuel Vriezen verklaart dat hij meer kamermuziektheaterstukken gaat schrijven zoals in Piano Sunday van 16 december, maar dan op eigen teksten. Samuel schrijft overgeorganiseerde gedichten waarin de losse woorden nieuwe syntactische verbanden aangaan; repetitief, desoriënterend en daarom zeer geschikt als libretto voor muziektheater zonder verhaal.
Sowieso een opmerkelijk optreden, die dag, met Tom Johnson's pianistenkweller Chord Catalogue, waarbij alle akkoorden in een octaaf - alle 8178!!! - worden afgewerkt.
Helaas zijn er dan ook nog de tegenvallers. Wat ontbrak in 2007, was een concert als dat van Garth Knox, Mauricio Pollini en Champ d'Action tijdens het Holland Festival 2006, de waanzinnige afsluiter van het Karnatic Lab Festival of Dante Oei's vertolking van John Adams' Between the Red Mountains - de adembenemers van 2006. Er was, het afgelopen jaar, geen Stuk Waar Ik Stil Van Word.
Twee aanfluiters moeten in het bijzonder genoemd worden. Misha Mengelberg komt een kwartier te laat binnen, ziet er uit als de zwerver om de hoek, snurkt door zijn eigen stuk heen en vraagt dan ook nog of zijn improvisatie wel is opgenomen. Wat mankeert hem?
Nog erger (maandag 3 dec) was Jan Fabre's ode aan het roken, I am a mistake, met muziek van Wolfgang Rihm, kettingrokende danseressen die opgewonden deden in korte glitterjurkjes, nouvelle-vague-filmbeelden van mooie droevige rooksters op de achtergrond en Ensemble Recherche onder leiding van Lucas Vis. Alle respect voor Lucas Vis en Ensemble Recherche. Rihm doet het goed als filmmuziek. Maar de voorstelling is een wanvertoning van aanstelleritis. Geen middel wordt geschuwd om het roken op te hemelen: stoer doen, zielig doen, arrogantie, nostalgie, belle tristesse, erotiek, heroïek ("ik ben trouw aan het genot dat mij doodt"). En Jan Fabre, als je zelf toegeeft dat het een onvolwassen en arrogante tekst is, waarom gebruik je hem dan? Krijg inderdaad maar lekker longkanker.
Abonneren op:
Posts (Atom)
