dinsdag 12 februari 2008

Paarse poezen en de achterkant van de maan

Twee Kindergedichten uit 2001

voor Nienke Gottenbosch en Madieke (*2001)


Mijn poes is zo pimpelpaars als een poes
maar pimpelpaars kan wezen
zo paars als paarse pompelmoes
of purperen pimpelmezen.
Maar vandaag is hij verdwenen,
zo verdwenen als je er maar niet kunt zijn.
Misschien strekt hij alleen even de benen,
maar de wereld is groot, en mijn poes is maar klein.

Meneer, misschien
heeft u misschien
een pimpelpaarse poes gezien?

Grijze en gele,
halve en hele,
zelfs in drie delen heb ik ze gezien!
Maar een pimpelepoezelepaars?
Kind, wat zeg je me nou voor iets raars?

Zo paars als mijn paarse poes paars is
is nog nooit een poes paars geweest
en omdat dat voor een poes best iets raars is
zou ik willen vragen aan wie dit leest:
als u laatst nog een paarse poes gezien, of anders gehoord heeft
of een idee heeft van waar hij nu kan zijn
en als u dat wat u weet ook even aan mij doorgeeft
dan vind ik dat heel aardig en heel fijn.

Meneer, misschien
heeft u misschien
een pimpelpaarse poes gezien?

Groene en paarse,
gewone en schaarse,
op zevenmijlslaarzen, ik heb ze niet gezien!
Want een poezelepaarsepimpel –
kind, dat is eigenlijk toch heel simpel:
die heb ik niet langs zien gaan
want zo’n poes kan niet bestaan.

Pimpeltje, paarsje, pimpelpaars poesje,
waar ben je? waar was je? waar ben je gebleven?
Poezelig beestje, mijn paarsharig snoesje,
ik vraag me haast af of je nog wel zou leven.
Ik vraag me haast af of je niet toch gewoon thuis bent
en je baasje wilt foppen en verstoppertje speelt –
maar als ik dan niet eens weet of je in of uit huis bent,
hoe weet ik dan zo zeker dat ik me jou niet heb verbeeld?

Meneer, misschien
heeft u misschien
een pimpelpaarse poes gezien?

Bruine en rode,
gezonde en dode,
en zelfs heptapode poezen heb ik gezien!
Maar een pimpelpaarse poes?
Kind, zelfs in mijn wildste dromen
zijn die nooit voorbijgekomen
- maar! Daar heb je er een, pardoes!

*

Aan de overkant van de bergen
wonen dwergen.
Ze zijn zo klein dat je ze haast niet kunt zien
wel tien maal tien maal tien maal tien
maal zo klein als wij,
klein en blij
en hun dwergenkinderen zijn
nog wel tien maal tien maal tien maal zo klein.

Aan de achterkant van de maan
wonen de mensen die nooit hebben bestaan.

Zes voet diep onder de grond, waar het zonlicht nooit komt
kruipen bleke lichtgevende wezentjes rond.
Ze hebben lange scherpe tanden waarmee ze ´s nachts konijnen vangen
met hun bleke lichtgevende handen graven ze eindeloze gangen
ze zijn licht als de lucht
en gaan zonder gerucht
want hun bleke lichtgevende voeten hebben hele zachte zolen.
Ze dolen en dolen en dolen en dolen…

Aan de achterkant van de maan
doen ze de dingen die nooit zijn gedaan.

Maar het raarste beest
dat er ooit is geweest
is het beest dat woont onder de poten van mijn bed.
Er is geen letter van A tot Z
in het hele alfabet
die een woord kan maken dat zo´n beest beschrijven kan.
Het is nog raarder dan
de raadselachtige rarekieten uit Rararistan!

En aan de achterkant van de maan
komt nooit ergens een einde aan.

Geen opmerkingen: