zondag 25 januari 2015

Cartoons @ The Roots of Nationalism

Conference The Roots of Nationalism, 1600-1815
Radboud University Nijmegen, 22-23 January


There are essentially two positions with regard to the origins of nationalism. Modernists argue that nationalism was largely constructed after 1800 through the 'invention of tradition', 'imagined communities', national education, print culture and state propaganda, and/or as a side effect of the modernization process. Primordialists hold that post-1800 nationalism is not categorically different from pre-1800 patriotism, national sentiment, histories of the nation, and theories of national character. There are, of course, all kinds of nuances to these positions, but on the whole modernism is dominant in nationalism studies. The conference The Roots of Nationalism, on the other hand, organized by a research group for premodern Dutch identity formation, is essentially primordialists inc.

'Proud to be Dutch' is the somewhat provocative title of Lotte Jensen's research group, who have organized the conference. Of course they are not nationalists themselves - apart from a few creeps in Leiden no sensible Dutch historians are. But they do research on national pride in early modern Dutch travel accounts, poetical canon formation, pamphlets and songs related to wars and peace treaties, and Dutch resistance against the Napoleonic regime. This drawing is one I actually made later during the conference, while listening to a presentation on Dutch colonial activities in Ambon.

Joep Leerssen, main representative of 'modernism' in the Netherlands, has accused Lotte Jensen of treating something (that is, early modern 'nationalism') like a duck because it looks like a duck, walks like a duck, and talks like a duck. Apparently, Lotte avers, Joep thinks it's a mouse.

[Joep is alluding here to the so-called 'duck test', a humorous formulation of what epistemologists call common sense philosophy. Stephen Toulmin gave a funny comment on that in a 2012 review:
A rule of thumb for sound inference has always been that if it looks like a duck, swims like a duck and quacks like a duck, then it probably is a duck. But there’s a corollary: if it struts around the barnyard loudly protesting that it’s a duck, that it possesses the very essence of duckness, that it’s more authentically a duck than all those other orange-billed, web-footed, swimming fowl, then you’ve got a right to be suspicious: this duck may be a quack.]

woensdag 21 januari 2015

maandag 19 januari 2015

Blackwell's rag-bag, or the (in)fertility of hybrid texts

Intertextual patterns and methodological shifts in an 1847 re-re-re-re-edition of the Prose Edda

Today in Shells & Pebbles



Historians of scholarship should love hybrid works. By ‘hybrid works’ I mean works that don’t fit neatly into a specific genre or format, but that combine the characteristics of different genres and information from disparate kinds of source material, often even texts from different authors. Historians should love such hybrid works for three reasons. First, each hybrid work is hybrid in its own way. Whereas the great bulk of scholarly production from the past is highly repetitious in treating similar topics in a similar format, hybrid works have a tendency to pop up around anomalies and ruptures. Second, by virtue of integrating different approaches (and text from different authors), they are particularly good indicators of shifts in scholarly method, combining the old and the new and often commenting on the respective virtues and shortcomings of these different approaches. And third, they present lovely intertextual puzzles. This is not just brain candy for the lovers of deconstructed authorship, it also provides further insight into information management and the circulation of knowledge – more so, generally, than the great bulk of works that fall under ‘normal science’.

Mallet’s Northern Antiquities is such a hybrid work. It is, in fact, the greatest intertextual puzzle I have encountered in three years of PhD research. The basis of the text is (1) Snorri Sturluson’s 13th century Prose Edda, a story that integrates sagas from the earlier Poetic Edda. That text was (2) translated into French (from a 17th century Latin edition) by Paul Henri Mallet for an introduction to a history of Denmark in 1755, then (3) translated into English by Bishop Percy (of Reliques of Ancient Poetry) in 1770, and (4) substantially corrected by one I.A. Blackwell for an 1847 re-edition, which was repeatedly reprinted until WW I. At each stage, new comments and comments upon comments agglutinated, and parts deemed outdated were left out. The actual text of the Prose Edda (which is itself a rehash of the earlier Poetic Edda) fills only 65 out of 575 pages in the 1847 edition. The rest is, in sequence: Bishop Percy’s preface, Blackwell’s comments on Percy’s preface, Mallet’s introduction, Blackwell’s additions to Mallet’s introduction, comments on Norse mythology by Blackwell, notes by Mallet and Percy, a postscript with newly discovered Eddic texts in translation by Walter Scott, and a glossary and index by Blackwell.

donderdag 15 januari 2015

De eeuwig wederkerende crisis van de geesteswetenschappen

Column gisteravond bij het Historisch Café, P96, Amsterdam
Vandaag in hard//hoofd




Dames en heren,

De geesteswetenschappen zijn in crisis. En wel om vier redenen:
  1. De studie is onnodig moeilijk, want de uitgaven van klassieke teksten deugen niet.
  2. Geleerden wekken te hoge verwachtingen, en kunnen die vervolgens niet waarmaken.
  3. Geleerden ruziën teveel, en geven daarmee de letteren een slechte naam.
  4. Er is geen geld mee te verdienen.
Dat schreef theoloog en journalist Jean Le Clerc, een van de internationaal toonaangevende publicisten van zijn tijd, in 1699 in zijn Parrhasiana. Die crisis duurt in feite nog tot heden voort, vooral wat betreft punt 4. De meest recente episode speelt zich nu af aan de Faculteit der Geesteswetenschappen aan de UvA. De faculteit moet € 7 miljoen bezuinigen en zo’n 100 personeelsleden lozen, een plan om dan maar over te stappen op een brede bachelor is afgefakkeld, en voormalig decaan Karel van der Toorn, destijds alom gehaat onder studentenraadsleden, is ingeschakeld om de discussie in goede banen te leiden. Dan is het goed mis.

Maar in de tussentijd zijn de Jezuïeten verbannen en hun colleges opgeheven, heeft de Nationale Conventie tijdelijk alle Franse universiteiten afgeschaft, is de Republiek der Letteren verwaterd, heeft Napoleon de helft van de Duitse universiteiten gesloten, hebben de natuurwetenschappen zich losgemaakt van de filosofische faculteit, en in de jaren ’30 en ’40 zijn ook een paar dingen gebeurd die niet bevorderlijk waren voor de studie der humaniora. En toch bestaan de letteren nog steeds. Sterker nog, de lange-termijntrend laat alleen maar een toename zien. Toen Jean Le Clerc schreef waren er ongeveer 1200 geleerden in heel Europa en op het moment is dat het aantal gepromoveerden in de geesteswetenschappen in Nederland sinds 2010. Als de letteren niet in crisis zijn, dan is er pas een probleem.

vrijdag 19 december 2014

Merkwaardige Liefde

Een pleidooi voor activistisch kijken
vandaag in hard//hoofd



Ik dans regelmatig in musea. Soms is dat omdat de tentoonstelling ertoe uitnodigt, bijvoorbeeld als lab[au] zes schermen met abstracte beelden in een kring zet of als de Danceworks van Sol le Witt geprojecteerd worden. Vaker is het omdat ik het gewoon niet kan laten. Mijn manier van kunst kijken is onrustig: ik been rond, draai om, pik impressies op, loop lijnrecht af op wat me aanspreekt, kijk vanuit verschillende hoeken, bedenk wat voor variaties er op dit beeld mogelijk zijn, loop door, of terug. Als ik daarbij genoeg positieve prikkels opdoe en er niet teveel irritante andere bezoekers zijn, worden die bewegingen al snel dansant. Het is een effect dat vrijwel alleen optreedt bij moderne en hedendaagse kunst, en ook dan vooral bij dingen die ik nog niet eerder gezien had. Mijn kritische zelf staat daarbij niet uit: ik blijf me afvragen hoe het werk gemaakt is en hoe het interessanter en beter zou kunnen. Maar juist het fundamentele besef dat ik het zelf niet zo had kunnen bedenken, vult me met joie de vivre.

Daarentegen heb ik een godsgruwelijke hekel aan de kunstwereld. Ik bedoel daarmee niet specifiek dat ik een hekel heb aan openingen, curatoren, toelichtingsteksten en in de kunstwereld rondzwermende kunstvliegen. Over die dingen klaag ik inderdaad graag, maar toch ga ik naar die openingen, praat met die curatoren en lees die toelichtingsteksten. Zoals iedereen die daarover klaagt. Part of the job. Ik geloof niet dat de kunstwereld nou zoveel meer gedeformeerd is dan andere sectoren. Nee, wat ik haat zijn niet de uitwassen van de kunstwereld, maar het gegeven dat er een kunstwereld is. Het is het gevoel dat er een schil zit tussen mij en de kunst, een schil van geconstrueerde situaties en geconditioneerd gedrag, gecombineerd met het besef dat die schil nodig is om de geconcentreerde ervaring te bieden die ik zo gretig naar binnen zuig.

Houden van kunst is een merkwaardige liefde. Zoals Robert Filliou zegt: art is what makes life more interesting than art. Ik heb het altijd schaapachtig gevonden om naar een museum te gaan, naar verf op doek aan de muur te kijken en daar een sublieme ervaring aan te ontlenen. De verf op doek wordt ondertussen vergezeld door film op scherm, tekst op doek, gevonden voorwerpen, bewegend staal, tl-buizen, collage, bricolage en installatie, maar het principe blijft hetzelfde – je gaat doelbewust naar een daartoe ingerichte ruimte om een gevoel van authentieke verwondering te ervaren. De setting van een tentoonstellingsruimte maakt beelden en ervaringen mogelijk die daarbuiten niet of moeilijk zouden kunnen bestaan, maar ze maakt het ook onmogelijk om onbevangen naar de gepresenteerde objecten te kijken: in het museum word je vanzelf iemand die doet alsof-ie naar kunst kijkt. Ook mijn eigen kinderlijke vrolijkheid is onlosmakelijk verbonden met een tamelijk hautain kennerschap, waardoor ik kan doen alsof ik boven die conventies sta.

woensdag 17 december 2014

Two words from T.S. Eliot

[Four Quartets, 'Little Gidding', II]