dinsdag 3 maart 2015

Democratie uitvinden

vandaag in hard//hoofd

Jacques-Louis David, Le Serment du Jeu de Paume (1791)

Het was fascinerende televisie, de livestream uit het Maagdenhuis afgelopen woensdag. Niet eens zozeer omdat het Maagdenhuis bezet werd; want zodra je eenmaal binnen bent, bestaat een bezetting vooral uit eindeloos wachten en praten. Ook niet omdat bestuursvoorzitter Louise Gunning live op een beschaafde manier vernederd werd; wat verwacht je anders, als je tegenover een paar honderd mensen die je aftreden eisen geen andere boodschap hebt dan of ze alsjeblieft weg willen gaan, en zonder tekst zit als ze dat niet doen? Maar het was fascinerend om te zien hoe er ter plekke een democratie in elkaar geknutseld werd, compleet met voorzitters, een gebarentaal om verschillende vormen van spreektijd aan te vragen, de efficiënte stemvorm van ‘temperatuur peilen’, en de ‘menselijke microfoon’. Dit alles in steenkolenengels, zodat de eventuele internationale student niet zou worden uitgesloten. ‘You have to respect the rules of our General Assembly’, kreeg Louise Gunning te horen. Naderhand excuseerde de voorzitter zich voor de camera dat het allemaal zo rommelig ging. Die excuses waren niet nodig; ze hadden duidelijk praktijkervaring opgedaan de voorafgaande dagen in het Bungehuis.

Wat je in feite zag, in de non-discussie met Louise en in de beter geslaagde interventie van Van der Laan later die avond, was een confrontatie tussen twee opvattingen van democratie. Van der Laan beriep zich op procedures en de rechtsstaat; dingen die je, hoe je het ook wendt of keert, inderdaad nodig hebt om beleid te maken, maar die je niet moet verwarren met het democratisch proces zelf. De bezetters daarentegen creëerden hun eigen bubbel; besluiten worden genomen binnen de vergadering en binnen de vergadering is iedereen gelijk.

woensdag 25 februari 2015

maandag 9 februari 2015

Conceptual Change in the History of the Humanities (des weiteren)

Published today in Studium Tijdschrift voor Wetenschaps- en Universiteitsgeschiedenis 7:4 (2014)


'Conceptual Change in the History of the Humanities' is an article with a history. I started it in early 2011 in the hope of getting a PhD position if I could get something published. Abandoned it because of more pressing demands. Got a PhD position in late 2011 anyway. Finished the article as an essay for a graduate seminar in 2012. Submitted it with an A-journal later that year. Received a rejection after six months. Put the draft online. Finally reworked it and submitted it with Studium. The published version is approx. version 10. It feels like a former self talking. But it still makes sense.
Abstract
Was there ever a ‘scientific revolution’ in the Humanities, and to what extent is that notion applicable to the Humanities at all? In this article, I formulate various ways in which to answer that question. These options emerge from a discussion of what I identify as the ‘Standard Account’ of developments in the Humanities around 1800, the essentials of which are in the work of Michel Foucault, Hans-Georg Gadamer, and Isaiah Berlin. Without calling it as such, the Standard Account amounts to a description of a scientific revolution. However, this Account works as a model and a set of tacit assumptions rather than as an explicit article of faith, and all of its tenets have been criticized. Making its assumptions and shortcomings explicit leaves one with four alternatives: 1. in spite of all shortcomings and criticism, the Standard Account is largely correct; 2. there was a revolution, but it was different; 3. there were various breakthroughs and more or less revolutionary events rather than one revolution; or 4. there was no revolution in the Humanities at all. Evaluating these alternatives also throws a new light on the dynamics of conceptual change – how the humanities bring forth new ideas.
Full version here (open access)

Soyez réalistes, démandez l'impossible

Vandaag in hard//hoofd


Ik herinner me nog vrij goed het moment dat ik vaststelde dat ik unpolitisch was geworden. Het was eind november 2011 toen driekwart van #OccupyAmsterdam op het Beursplein werd opgeruimd. Veel van mijn vrienden deden mee met Occupy. Ik niet. Ik geloofde niet in Occupy, ik vond het een media-event. Het was me onduidelijk hoe Occupy, bij gebrek aan standpunten en doelstellingen, ooit had kunnen slagen: ze zaten op het plein en waren kwaad. Het kwam op mij meer over als een existentiële kreet. Tekenend was dat ze recht voor de beurs kampeerden, maar dat de beurshandel gewoon doorging, en niemand de noodzaak voelde om daadwerkelijk de beurs te bestormen. Maar goed, ik ging dus kijken of de ontruiming niet uit de hand gelopen was. En omdat ik geen zin had zelf in een confrontatie te belanden, ging ik pas een paar uur later. Ik had me de voorzorg kunnen besparen. Op het schoongeveegde plein stonden een paar achtergebleven actievoerders te touwtjespringen. Ongevaarlijker kon het niet. Ik keek meewarig toe, voelde me stakkerig wijs, en ging terug naar kantoor om een policy brief samen te stellen over de rol van kunstacademies in de creative industries.

Zeven jaar lang, van 2004 tot 2011, hing ik rond bij het artistieke Amsterdamse krakerscollectief Schijnheilig. ‘Hing rond’ is de passende aanduiding, want aan mij had de ondergrondse niet veel. Ik was te braaf om zelf te kraken, niet handig met boor en hamer, altijd bereid om in politieke discussies advocaat van de duivel te spelen en weinig genegen om oog in oog te staan met de ME. Ik ben er dan ook nog altijd ambivalent in of ik nu ‘we’ of ‘ze’ moet zeggen. Eigenlijk was dat redelijk duidelijk: voor het artistieke gedeelte was dat ‘we’, en voor het politieke gedeelte was dat ‘ze’. Alleen lag de aantrekkingskracht van Schijnheilig er nu juist in dat die twee met elkaar verbonden waren. Op zich was het allemaal niet zo heel artistiek hoogstaand wat we deden, maar er hing een sfeer van opwinding, een soort avantgardisme dat in de officiële Amsterdamse kunstwereld ver te zoeken was.

Eigenlijk waren er twee periodes dat Schijnheilig werkelijk opwindend was: het begin en het einde. Schijnheilig ontstond in 2004 toen een groep studenten, vooral filosofen, een leegstaand winkelpand aan de Heiligeweg kraakten en er een galerie inrichtten. Het was in de tijd dat Mark Rutte staatssecretaris van onderwijs was en dezelfde groep studenten wilde protesten organiseerde tegen zijn bezuinigingen op de studiefinanciering. ‘Wild’ wil zeggen dat ze niet netjes hun demonstraties bij politie en gemeente aanmeldden, maar met een megafoon voor het Maagdenhuis gingen staan of gedichten en radicale geschriften gingen voordragen voor het Binnenhof. Geïnspireerd door de Berlijnse alternatieve scene besloot die groep dat het ook wel leuk was om opendeurfestivals te organiseren in een gekraakt pakhuis aan het IJ, en omdat ze protest hadden gevoerd onder de naam Damocles, noemden ze hun festival Damoclash. Waarschijnlijk realiseerden ze zich zelf ook niet dat ze zo lang aan die belachelijke namen zouden vastzitten.

donderdag 29 januari 2015

Te meta

Felix & Sofie: Metamodernisme en Engagement anno Nu
Perdu, 27 januari

vandaag in hard//hoofd

Zo’n vijftien jaar geleden, na mijn eindexamen, dacht ik erover het ‘retromodernisme’ uit te roepen. Ik kan het niet bewijzen want ik heb mijn ego-documenten in de papiercontainer gegooid, maar ik kan me wel herinneren dat ik het plan heb losgelaten omdat ik het idee te inhoudsloos en vrijblijvend vond. Had ik maar op z’n minst de domeinnaam geclaimd, want ook van holle ideeën kun je goede containerconcepten maken. Dat bewijst het huidige succes van het metamodernisme.

‘Metamodernisme’ is het geesteskind van cultuurwetenschappers/ -filosofen Timotheus Vermeulen en Robin van den Akker, die gezamenlijk in 2009 hebben vastgesteld dat het postmodernisme nu wel voorbij is en de site Notes on Metamodernism hebben opgericht. Dat is overigens, zonder dollen, een mooie site met leesbare, weldoordachte stukken over kunst en media. Het achterliggende idee is dat we niet meer terug kunnen naar het naïeve enthousiasme van het modernisme, maar ook niet mogen blijven steken in postmoderne ironie, en in plaats daarvan moeten slingeren tussen ernst en relativering, betrokkenheid en distantie.

Het klinkt als een triviale vaststelling: doet en deed niet iedereen dat? Vermeulen en Van den Akker claimen dan ook niet dat hun idee origineel is, en vinden het misplaatst om met strijdpunten en manifesten te zwaaien. In plaats daarvan zien ze ‘metamodernisme’ vooral als een diagnose van wat nu cultureel ‘dominant’ is, en presenteren het metamodernisme als een collectief project dat iedereen mee mag helpen definiëren. Het omvat muziek van Arcade Fire en films van Wes Anderson, performances van Shia LaBeouf en protesten van Occupy Wall Street. In elk geval veel dingen in kunst en media. Dat je daar de tijdgeest aan kunt aflezen, spreekt blijkbaar voor zich.

zondag 25 januari 2015

Cartoons @ The Roots of Nationalism

Conference The Roots of Nationalism, 1600-1815
Radboud University Nijmegen, 22-23 January


[UPDATE 29-1: een Nederlandse versie staat op historici.nl]

There are essentially two positions with regard to the origins of nationalism. Modernists argue that nationalism was largely constructed after 1800 through the 'invention of tradition', 'imagined communities', national education, print culture and state propaganda, and/or as a side effect of the modernization process. Primordialists hold that post-1800 nationalism is not categorically different from pre-1800 patriotism, national sentiment, histories of the nation, and theories of national character. There are, of course, all kinds of nuances to these positions, but on the whole modernism is dominant in nationalism studies. The conference The Roots of Nationalism, on the other hand, organized by a research group for premodern Dutch identity formation, is essentially primordialists inc.

'Proud to be Dutch' is the somewhat provocative title of Lotte Jensen's research group, who have organized the conference. Of course they are not nationalists themselves - apart from a few creeps in Leiden no sensible Dutch historians are. But they do research on national pride in early modern Dutch travel accounts, poetical canon formation, pamphlets and songs related to wars and peace treaties, and Dutch resistance against the Napoleonic regime. This drawing is one I actually made later during the conference, while listening to a presentation on Dutch colonial activities in Ambon.

Joep Leerssen, main representative of 'modernism' in the Netherlands, has accused keynote speaker Caspar Hirschi of treating something (that is, early modern 'nationalism') like a duck because it looks like a duck, walks like a duck, and talks like a duck. Apparently, Lotte avers, Joep thinks it's a mouse.

[Joep is alluding here to the so-called 'duck test', a humorous formulation of what epistemologists call common sense philosophy. Stephen Toulmin gave a funny comment on that in a 2012 review:
A rule of thumb for sound inference has always been that if it looks like a duck, swims like a duck and quacks like a duck, then it probably is a duck. But there’s a corollary: if it struts around the barnyard loudly protesting that it’s a duck, that it possesses the very essence of duckness, that it’s more authentically a duck than all those other orange-billed, web-footed, swimming fowl, then you’ve got a right to be suspicious: this duck may be a quack.]

woensdag 21 januari 2015