maandag 1 september 2014

Vijf boeken

In de reeks "boeken top 5" van Ex Tempore, het tijdschrift vd afdeling geschiedenis RU Nijmegen.


Rond mijn achttiende dweepte ik met het Engelse literaire modernisme. Leerde The Waste Land uit mijn hoofd, las Ulysses drie keer en probeerde chocola te maken van de meertalige, fragmentarische, over-erudiete en vuistdikke Cantos van Ezra Pound. Daarna heb ik nauwelijks meer iets anders dan non-fictie gelezen. Het meest interessante boek dat over deze doodbestudeerde moderne klassieken geschreven is, is zonder meer Hugh Kenner, The Pound Era (1972). Het is een literatuurgeschiedenis die even experimenteel en erudiet is als de erin behandelde auteurs. Kenner beschrijft, meer impressionistisch dan exegetisch, de bronnen van en invloeden op Pound en zijn Cantos en maakt daarmee tegelijk een intellectuele biografie, een literair groepsportret, en een cultuurhistorische achtbaan langs Provençaalse troubadours, Confuciaanse oden,  bedenkelijke economische theorieën, kunstenaarstijdschriften en –manifesten, pre-Renaissance-architectuur, klassieke filologie en vergelijkende taalkunde. Pound’s fascisme blijft een beetje onderbelicht, los van zijn drie weken in een kooi in een Amerikaans interneringskamp na de val van Mussolini, waarna Pound instortte en vervolgens in de ziekenboeg zijn Pisan Cantos schreef.

zaterdag 23 augustus 2014

The re-invention of Giambattista Vico

Eerder deze week in Shells&Pebbles 



Giambattista Vico died in poverty in January 1744, having spent his last pennies on a new edition of the Principj di Scienza Nuova. Outside Naples, nobody cared. No notices appeared in the learned journals; no obituaries were read at royal or local academies. Eighty years later, his work was translated into German and French; in the 1860s, Michelet retrospectively called him “his sole guiding spirit”,[i] and a statue was raised in the Naples public gardens. Anthony Grafton’s foreword to the Penguin edition of the New Science compares it to Newton’s Principia.[ii] And so, posthumously, Vico became the founding father he wanted to be. It is a historical Cinderella story too good to be true.

In fact, Vico was never quite forgotten. Rather, his 18th-century readers didn’t know what to do with him. No one publicly acknowledged his claim to have founded a ‘new science’; no one elaborated or refuted his ‘historical proofs’.  But he was read. Montesquieu and Goethe owned copies of the Scienza Nuova; Hamann and Jacobi discussed him in correspondence; Herder mentions him in the Briefe zur Beförderung der Humanität.[iii] Jean Le Clerc, who had favourably reviewed two earlier works by Vico, was sent a review copy – to no effect.[iv] The Göttingen writers of compendia, who read everything, knew who he was: he is included, with compliments for his originality and caveats for his idiosyncrasy, in Eichhorn’s Geschichte der Litteratur (1805-11) and Wachler’s Geschichte der historischen Forschung und Kunst (1802-20). If that is what oblivion is like, then I’d love to be forgotten like that. 

dinsdag 8 juli 2014

donderdag 26 juni 2014

Honderd jaar BLAST

Vandaag op hard//hoofd



20 Juni was de honderdste verjaardag van BLAST, vermoedelijk de heftigste typografische revolutieverklaring ooit. BLAST was een kunstenaarstijdschrift opgezet door – en grotendeels gevuld door – de schrijver, schilder, tekenaar en zelfbenoemde ‘Vorticist’ Wyndham Lewis. Het Engelse kunstenaarsleven was anno 1914 wat achtergebleven bij de internationale avant-garde, een ‘Engels modernisme’ bestond nog niet echt, en met BLAST – ondertitel: ‘Review of the Great English Vortex’ – hoopte Lewis het ingedutte Albion eens flink op te stuwen in de vaart der volkeren. (De ‘vortex’ – wervel, draaikolk – was voor Lewis het symbool van samengestuwde artistieke energie.) In de weken voor het verschijnen was het eerste nummer als volgt geadverteerd in het feministische/literaire tijdschrift The Egoist:

NO Pornography. NO Old Pulp.
END OF THE CHRISTIAN ERA.


vrijdag 20 juni 2014

Saai en gedateerd

Luigi Nono, Prometeo. Tragedia dell’ascolto
Schola Heidelberg, SWR Sinfonieorchester Baden-Baden, Ensemble Recherche
Westergasfabriek, Amsterdam, 19 juni
vandaag in muziekvan.nu



Er is een probleem met hedendaagse muziek voor een groot orkest. Als je geen melodie hebt om de boel bij elkaar te houden en er klinken teveel instrumenten door elkaar, dan wordt het al snel moeilijk om de verschillende instrumenten te onderscheiden en krijg je klanksoep. Er zijn een aantal manieren om dat probleem te omzeilen. Je kunt er een moordend tempo in zetten, zoals Wolfgang Rihm in Jagden und Formen; je kunt de klankspectra van alle individuele instrumenten uitdiepen, zoals Gérard Grisey in Les Espaces Acoustiques; je kunt een stuk schrijven dat uit fragmenten bestaat, en zelfs het orkest fragmenteren. Dat laatste deed Luigi Nono in Prometeo (1981-5), dat gisteravond te horen was in de Westergasfabriek: het orkest bevindt zich aan vier kanten van het publiek, op stellages van verschillende hoogte en versterkt met surround sound.

Prometeo is Nono’s langste werk (2u15), oorspronkelijk geschreven om tijdens de Biënnale van Venetië in de San Marco te worden opgevoerd en vanwege de eisen qua bezetting, ruimte en techniek hooguit eens in de paar jaar te horen. Het valt in Nono’s latere periode, toen hij de revolutionaire woede en de krakende elektronica had ingeruild voor semi-mystieke fluistertonen, fragmenten en verstilling. En het is, om eerlijk te zijn, nogal saai en gedateerd. Het zijn steeds weer dezelfde strijk- en blaastonen en vooral dezelfde langgerekte, ijle, haarzuivere maar vlakke zanglijnen, alsof je naar een menselijk orgel staat te luisteren. Natuurlijk bevat het, met negen kwartier ononderbroken muziek, momenten dat je je oren spitst en zelfs passages die, als je nog niet murw bent, voor kippenvel kunnen zorgen. Maar als geheel is Prometeo vooral memorabel omdat het zo lang duurt. Het is van een achterhaald en totalitair soort avantgardisme dat verwacht dat je met open mond en gesloten ogen naar iemands Muzikale Visie gaat luisteren.

woensdag 11 juni 2014

Live drawings @ Delusion of the Fury

Voor de liefhebbers: hier nog wat tekeningen van gisteravond. Het was, inderdaad, een onconventioneel concert.




Hoe het wel moet

Harry Partch, Delusion of the Fury 
Ensemble musikFabrik, Muziekgebouw aan ‘t IJ, 10 juni
vandaag op muziekvan.nu


Delusion of the Fury is een fantastisch stuk. Laat dat duidelijk zijn. Het meesterwerk van Harry Partch was na 1971 niet meer opgevoerd, en nog nooit in Europa, tot Heiner Goebbels het verleden jaar programmeerde en regisseerde voor de Ruhrtriennale. Dat heropvoeren is een heidens karwei. Partch bouwde namelijk zijn eigen instrumenten voor bij zijn eigen toonsysteem, en die instrumenten zijn nu oud en fragiel en staan in Amerika. Thomas Meixner, percussionist bij Ensemble musikFabrik, heeft ze grotendeels opnieuw gebouwd. Daarna kostte het nog een jaar om erop te leren spelen. Het maakt deze Delusion of the Fury tot een unieke gebeurtenis, een soort historische heropvoering van een stuk dat nooit modern klassiek repertoire heeft kunnen worden.



Op Youtube is een opname te vinden van de oorspronkelijke opvoering (waarin vanaf 0:50 het instrumentarium wordt voorgesteld). De heropvoering is vanzelfsprekend spectaculairder qua enscenering: rookwolken, lichteffecten, stromend water op het toneel, bombastische kimono’s in zes lagen. Toch is het binnen die parameters nog steeds een ingetogen voorstelling: het tempo ligt laag, er is weinig tekst, de handelingen worden ritueel in slowmotion uitgevoerd. Die handelingen zijn tamelijk ondoorgrondelijk. Het eerste deel is een op Noh-theater geënt schimmenspel tussen een pelgrim cq. moordenaar, de geest van de vermoorde vader en de zoon; het tweede deel een aan Ethiopische legenden ontleende vaudeville-confrontatie tussen een jonge zwerver en een oude geitenhoedster, eindigend in een vrolijke rechtszaak.