maandag 15 september 2014

Gaudeamus, 2014 (2): Een nabeschouwing vooraf

Vandaag op Muziekvan.nu

Marina Poleukhina, For five guitars | foto: Anna van Kooij 


Dit stuk bevat een verrassing: pas aan het eind staat wie de Gaudeamus Prijs voor jonge componisten dit jaar heeft gewonnen. Een grote verrassing is het niet, want u kunt altijd naar beneden scrollen of kijken op muziekweek.nl; en als u niet bij het festival was is de kans groot dat u niet weet om wie het gaat. Maar op het moment van schrijven is het voor mij nog wel een verrassing, al zal ik dit stuk pas opsturen naar de redactie wanneer de winnaar al bekend is. Dat heeft één voordeel: ik hoef niet naar de einduitslag toe te redeneren.

Juryoordelen hebben altijd iets onvoorspelbaars. In de negen jaar dat ik de Gaudeamus Muziekweek nu volg, is het me maar één keer gelukt om de winnaar te voorspellen; en bovengemiddeld vaak zat de winnaar nét in het concert dat ik niet had gehoord. De nieuwe opzet van de Muziekweek heeft het werk van de jury wel makkelijker gemaakt: in plaats van meer dan een dozijn losse stukken hebben ze nu van vijf geselecteerden drie werken te beoordelen. Het maakt het oordeel transparanter, maar daarmee ook des te meer discutabel.

zondag 14 september 2014

Gaudeamus, 2014 (1): Over Gimmicks

Gisteren op VPRO Vrije Geluiden 
Gaudeamus Muziekweek 2014, 10-14 Sep, Tivoli Vredenburg & andere locaties, Utrecht


Foto: Anna van Kooij

De hedendaagse muziek zit vol gimmicks. Tijdens de eerste drie dagen van de Gaudeamus Muziekweek hebben we priktollen gezien, flesjes en plastic zakjes, muzikale planten, munten in glaasjes, speelgoedharmonica’s en zelfs een stuk genaamd Absurde Apparate. ‘Gimmicks’ klinkt hier oneerbiediger dan het bedoeld is. Volgens Wikipedia is het een marketingterm voor grappige frutseltjes die het product onderscheiden zonder er iets wezenlijks aan toe te voegen; maar met een rij flesjes of een glas vol muntjes kun je wel degelijk geluiden maken die je niet uit een klarinet of een viool krijgt. Genomineerde componiste Anna Korsun verzekert  me dat het haar puur om dat nieuwe geluid gaat, niet om een grappig effect.

Toch is ‘gimmicks’ het juiste woord. Het gaat hier om objecten die er niet als instrument uitzien en om ‘onmuzikale’ geluiden die alleen al daardoor opvallen, en die maken dat je op een andere manier kijkt en luistert. Dat varieert van de rubberen varkentjes en onflatteuze keyboardsamples die Benjamin Scheurer gebruikt in Absurde Apparate tot de muzikale metalen draadsculpturen van Peter van Loon, die aan het einde van Kate Moore’s celloconcert beginnen te ratelen. Je zou een aantal verschillende toepassingen van zulke interventies kunnen onderscheiden: als esthetisch te bewonderen object, als rekwisiet dat in theatrale gestes gebruikt wordt, als geluidsbron zoals alle andere.

zaterdag 13 september 2014

De theatrale gunsteneconomie

Column bij Radio Futura in een discussie over Macht en informele netwerken in de theatersector


Ter voorbereiding op deze discussie heb ik de twee (2!) boekwerken maar eens doorgenomen, die het Holland Festival dit jaar had samengesteld ter gelegenheid van het afscheid van Pierre Audi. Ik geloof dat ik behalve Pierre Audi en de eindredacteur de enige ben die dat gedaan heeft. Het ene boek is een Liber Amicorum, het andere een catalogus van 10 jaar Holland Festival met nog meer beschouwingen van betrokkenen, en het is allebei de incrowd in de podiumkunsten op z’n klefst. Wethouders, fondsdirecteuren, componisten, theatermakers, choreografen uit binnen- en buitenland herhalen wat een voorrecht het is met Pierre te werken, hoe inspirerend en bevlogen hij wel niet is, welke immense verdiensten hij heeft in het uitdragen en verdedigen van het belang van kunst en cultuur, wat voor persoonlijke anekdotes dat extra illustreren en meer van dat soort braafpraat. Je hoeft niet heel cynisch te zijn om te denken dat die mensen behalve de scheidend directeur van het Holland Festival vooral ook zichzelf feliciteren.

En toch. Ik ga er van uit dat wat er in die boeken staat waar is, en dat Pierre Audi écht inspirerend en bevlogen is en zich met hart en ziel inzet voor kunst en cultuur. Of we dat honderd keer moeten horen en of die persoonlijke anekdotes ook voor derden interessant zijn is een tweede, en of er niet ook wat verzwegen schaduwkanten zijn is een derde, en of de waarschijnlijk ettelijke tienduizenden euro’s die in deze salontafelboekwerken zijn gaan zitten niet beter besteed hadden kunnen worden is een vierde, maar in één opzicht zijn ze onbedoeld toch nuttige documentatie: ze laten zien hoe een gunsteneconomie werkt. Want dat is wat we hier zien. Natuurlijk is een opdracht voor het Holland Festival ook een economische transactie waarbij het festival naar de kosten en het publieksbereik kijkt en waar de maker beter van wordt, maar het is vooral een gunst die verstrekt wordt op basis van verdienste of belofte, en die je symbolisch moet terugverdienen. Ik ben zelf wel eens embedded geweest bij het HF, en zodoende was ik er getuige van hoe zijn adjunct, in de VIP-zone bij wat bubbels en lekkere hapjes, een jonge componiste aan een gig in New York hielp. En dat verdiende ze ook, want ze had een fantastische installatie gemaakt met vier cello’s in transparante pilaren gehuld in videoprojecties.

Alleen: je moet wel eerst die VIP-zone binnenkomen. En daar zit een Catch-22, want je toegangsbewijs om aanbiedingen van festivals en grote zalen te krijgen is doorgaans: een voorstelling voor een festival of grote zaal maken. Je moet immers wel gezien worden. Natuurlijk is er wel een zekere opwaartse mobiliteit, want goede programmeurs zoeken ook voortdurend naar iets dat andere festivals nog niet hebben en dus naar nieuwe gezichten, maar uiteindelijk is de ruimte beperkt en kun je ook in het Holland Festival geen honderd voorstellingen kwijt. Vriendjespolitiek is het overigens niet: die adjunct, de componiste en de programmeur uit New York kennen elkaar verder niet. Wat dat betreft was ik getuige van een puur zakelijke transactie. Alleen dan wel een waarbij niet over geld gepraat werd. Want dat is één aspect van een gunsteneconomie: over geld praten is vies.

zondag 7 september 2014

Narbonne, le cimetière marin, revisited

[Eigenlijk gaat het om een andere 'Cimetière Marin' dan die uit het gedicht van Valéry. Die van Gruissan, bij Narbonne, ligt zo'n vijftig kilometer naar het zuidwesten.] 



Het gaat ook zonder poëzie. Er zijn hier pijnbomen en graven,
rotsen, duinen, binnenmeren en kanalen,
schuurwallen, ziltwatervegetatie
en in Narbonne platanen.
Ik heb niks te bekennen en niemand heeft mij iets te vergeven.
Mijn zonden zijn gering en ridicuul.

maandag 1 september 2014

Vijf boeken

In de reeks "boeken top 5" van Ex Tempore, het tijdschrift vd afdeling geschiedenis RU Nijmegen.


Rond mijn achttiende dweepte ik met het Engelse literaire modernisme. Leerde The Waste Land uit mijn hoofd, las Ulysses drie keer en probeerde chocola te maken van de meertalige, fragmentarische, over-erudiete en vuistdikke Cantos van Ezra Pound. Daarna heb ik nauwelijks meer iets anders dan non-fictie gelezen. Het meest interessante boek dat over deze doodbestudeerde moderne klassieken geschreven is, is zonder meer Hugh Kenner, The Pound Era (1972). Het is een literatuurgeschiedenis die even experimenteel en erudiet is als de erin behandelde auteurs. Kenner beschrijft, meer impressionistisch dan exegetisch, de bronnen van en invloeden op Pound en zijn Cantos en maakt daarmee tegelijk een intellectuele biografie, een literair groepsportret, en een cultuurhistorische achtbaan langs Provençaalse troubadours, Confuciaanse oden,  bedenkelijke economische theorieën, kunstenaarstijdschriften en –manifesten, pre-Renaissance-architectuur, klassieke filologie en vergelijkende taalkunde. Pound’s fascisme blijft een beetje onderbelicht, los van zijn drie weken in een kooi in een Amerikaans interneringskamp na de val van Mussolini, waarna Pound instortte en vervolgens in de ziekenboeg zijn Pisan Cantos schreef.

zaterdag 23 augustus 2014

The re-invention of Giambattista Vico

Eerder deze week in Shells&Pebbles 



Giambattista Vico died in poverty in January 1744, having spent his last pennies on a new edition of the Principj di Scienza Nuova. Outside Naples, nobody cared. No notices appeared in the learned journals; no obituaries were read at royal or local academies. Eighty years later, his work was translated into German and French; in the 1860s, Michelet retrospectively called him “his sole guiding spirit”,[i] and a statue was raised in the Naples public gardens. Anthony Grafton’s foreword to the Penguin edition of the New Science compares it to Newton’s Principia.[ii] And so, posthumously, Vico became the founding father he wanted to be. It is a historical Cinderella story too good to be true.

In fact, Vico was never quite forgotten. Rather, his 18th-century readers didn’t know what to do with him. No one publicly acknowledged his claim to have founded a ‘new science’; no one elaborated or refuted his ‘historical proofs’.  But he was read. Montesquieu and Goethe owned copies of the Scienza Nuova; Hamann and Jacobi discussed him in correspondence; Herder mentions him in the Briefe zur Beförderung der Humanität.[iii] Jean Le Clerc, who had favourably reviewed two earlier works by Vico, was sent a review copy – to no effect.[iv] The Göttingen writers of compendia, who read everything, knew who he was: he is included, with compliments for his originality and caveats for his idiosyncrasy, in Eichhorn’s Geschichte der Litteratur (1805-11) and Wachler’s Geschichte der historischen Forschung und Kunst (1802-20). If that is what oblivion is like, then I’d love to be forgotten like that. 

dinsdag 8 juli 2014