dinsdag 14 december 2010

13 Stellingen over poëzie

voor Matthijs Ponte


1.    Poëzie is een rudiment.
Het is als geheugensteun verdrongen door de schriftcultuur, als communicatievorm door de roman, als uiting van persoonlijke gevoelens en ervaringen uitgeput. We hebben geen rijm en vers meer nodig om iets te onthouden als we het ook kunnen opschrijven, geen epische vorm meer nodig om een verhaal te vertellen als je het ook in een boek kunt doorbladeren, en in versvorm lijken alle gevoelens en ervaringen op elkaar.

2.    We kunnen het toch niet laten. 
Prosodie, ritme, rijm, associatie, metaforen, metonymen, anomaal taalgebruik en de rest van de dichterlijke gereedschapskist zijn deel van het taalvermogen van iedere competente spreker. Als we niet onze woorden wisten te kiezen, geen gevoel hadden voor le mot juste, met een woord niet meer konden zeggen dan de letterlijke betekenis, zouden we helemaal niet productief kunnen redeneren. En ons brein genereert vanzelf al een hoop nieuwe, half toevallige taalcombinaties. Het grootste deel van ons taalgebruik is inner speech. Dat wil eruit.

3.    Metafoor is kitsch. 
Natuurlijk bestaat er mooie, originele, prikkelende beeldspraak. Maar het moet wel een functie hebben: iets duidelijk maken waar een leemte in het lexicon is, nadruk verschuiven, de lezer ontregelen. Beeldspraak omwille van de beeldspraak is maniërisme, en drijft daarin steeds verder door naarmate de massa metaforen toeneemt.

4.    Language is NOT fossil poetry. 
Ook al beweert Emerson het tegendeel, en ook al hangt Gadamer zijn hermeneutiek op aan de “grundsätzliche Metaphorik der Sprache”. Taal is NIET van oorsprong of in wezen metaforisch van aard. Om een metafoor te kunnen gebruiken, moet je ook kunnen afleiden wat de strekking ervan is en op welke punten de vergelijking of analogie niet opgaat. Metaforisch taalgebruik is dus een derivaat van meer fundamentele inferentiële vermogens, niet een uitdrukking van preverbale “cross-domain mappings” zoals Lakoff het voorstelt. Ook is er niet zoiets als een primitief “mythopoëtisch” bewustzijn in tegenstelling tot modern logisch denken. Dat is niet alleen anthropologisch incorrect geouwehoer, dat is racistisch gefantaseer over de edele wilde.

5.    Taal is een Fremdkörper.
Ons eigen taalvermogen is niet introspectief te doorzien. Language processing gaat sneller dan we het kunnen volgen, logische redeneringen zijn complexer dan onze algoritmes, en semantiek is nog steeds een duister continent.  Onze omgang met taal is dan ook een continu gevecht met onszelf, een poging om grip te krijgen op ons taalvermogen. Als we er niet kritisch mee omgaan, wordt het talk talk.

6.    Alles is poëtisch materiaal.
Schuttingtaal is deel van de taal. Wetenschappelijk jargon, hoe ver ook geabstraheerd van het alledaagse taalgebruik, draagt nog steeds associaties met zich mee, geeft nauwkeurige uitdrukking aan dingen waar geen wijdverbreid woord voor bestaat. Citaten en parafrasen zijn óók creatief taalgebruik.

7.    Schrijf meertalig.
De wereld is meertalig. Niet alleen de condition moderne maar ook de oerwoudgemeenschappen in het Amazonegebied en Papoea-Nieuw Guinea. Het gaat er niet om dat je maar één moerstaal hebt. Leenwoorden hebben ook expressief potentiëel. Grammatica kan er door worden ontregeld. En dat is precies de uitdaging: nog steeds iets overbrengen aan de rand van de taalverwarring.

8.    Taal is ook klank, en taal is ook beeld.

Dat draagt nu juist aan het Fremdkörper-karakter ervan bij, want niemand zal taal definiëren puur als georganiseerd geluid of geordend beeld. Taal is semantisch geladen klank en beeld. Dat is wat het als klank en beeld zoveel impact geeft, wat het zoveel moeilijker te negeren maakt dan “just noise”. En hier liggen nieuwe mogelijkheden voor dichters om complexere en interessantere geluids- en beeldkunstenaars te zijn.

9.    Klets niet.
Onzorgvuldig taalgebruik word er niet beter op als je er poëzie van maakt. Taal gebruiken die nadrukkelijk “poëzie” moet zijn, of dat nou gezwollen lyriek is, poëzie over poëzie of dada-taalsoep, duidt vooral op een onvermogen om nieuw poëtisch materiaal te vinden op onverwachte plekken. En schrijf bij voorkeur alleen als je echt iets te melden hebt. Zoals Ezra Pound zegt: Make up your mind!

10.    Maar toch staat er niet wat er staat.
Taalgebruik balanceert van zichzelf al op de rand van de onzin, en valt daar van af als ze niet kritisch tegen het licht gehouden wordt. Poëzie drijft dat in het extreme door: zowel het grenzen aan onzin als het kritisch tegen het licht houden.

11.    Het is maar poëzie. 
Wat wil je er mee? Je kunt het retorisch toepassen om je verhaal wat indringender te maken, verwerken in een videokunstwerk, op een bord in een tramhokje hangen. Je kunt het voordragen met een megafoon op de Dam. Je kunt natuurlijk ook naar een poëzieavond gaan of een bundel kopen. Maar uiteindelijk is de ontvankelijkheid voor poëtische patronen, het creatief en fantasievol gebruiken van de taal, veel interessanter dan het product “poëzie”.

12.    Schreibedu. 
Ontvankelijkheid en creativiteit en fantasie zijn niet genoeg. Het mot er uut.

13.    Ik hou niet van poëzie, ik kan het alleen niet laten.

2 opmerkingen:

Frank zei

Interessant maar wel wat pedant. C'est le ton quit fait etc. Vriendelijke groet, Frank Tarenskeen, plaatjesmaker en filosofiestudent

Floris zei

Ik denk dat het niet mogelijk is om een serieuze kritiek te geven op de metafysische en linguïstische claims die er over poëzie gemaakt worden zonder hier en daar pedant over te komen. (Hoewel Jan Lauwereyns een eind komt in Splash! - Lyrische suite, maar zijn positieve conclusie is uiteindelijk vrij zwak na zijn steekhoudende kritiek op J.A. de Roder en zijn exposé over neurolinguistiek.)

Kijk, voor mij is poëzie just another art form, en hoeft die niet "verdedigd" te worden - de vraag is meer wat je er mee wilt. "The poetry does not matter."