donderdag 20 december 2012

Vertoog over de Universiteiten, 1809

Het Vertoog over de Universiteiten werd opgesteld in opdracht van Lodewijk Napoleon door een commissie van vier wijze heren, met het oog op de broodnodige hervorming van het NL onderwijs. Toch komen de voorstellen vooral erop neer alles bij het oude te laten.


 Het Latijn wordt gehandhaafd als taal voor het academisch onderwijs (terwijl dit in Duitsland en Frankrijk allang was afgeschaft), de universiteiten van Harderwijk en Franeker moeten niet worden opgeheven (dat zou na de Franse tijd alsnog gebeuren), de universiteiten hoeven niet op te gaan in de Universit√© Imperiale, en hoewel de katholieken gelijke rechten krijgen, worden er vooral gekunstelde constructies bedacht om te zorgen dat er geen twee confessies in de theologische faculteit belanden.

Opvallend is dat er een centrale rol wordt toebedacht aan historia literaria, als inleidend vak bij alle faculteiten en als kerntaak van de faculteit der letteren. (NB historia literaria is niet literatuurgeschiedenis, maar geschiedenis van alle literatuur, geleerd en schoon - een vroegmoderne term die elders al was verdrongen door encyclopedie.) Wel wordt er in de begroting voorzien in kabinetten voor natuurlijke historie, natuurkunde en ontleedkundige preparaten, scheikundige en sterrenkundige instrumenten, tekenscholen en botanische tuinen voor alle universiteiten.

Het meest opmerkelijk is echter de passage die de onderzoekstaken van hoogleraren omschrijft (§ 137, p. 56):
A.    Arbeid van het kabinet
Het is van belang, dat de professoren, welke ook hunne genie en den graad hunner kundigheden zijn moge, bij het aanvaarden hunner posten bestendig trachten de wetenschap, welke zij onderwijzen, in den grond te kennen, ten einde in staat te zijn om bij de voortgang hunne lessen meer en meer te volmaken: vervolgens behooren zij ten allen tijde kennis te hebben van nieuwe ontdekkingen, die 'er gedaan, van nieuwe denkbeelden die zijn voorgesteld, van nieuwe opheldering die in het licht gegeven worden; zelfs van de nieuwe leerstelsels, die hier en daar gewaagd worden; ten einde dezelve te onderzoeken, derzelver waarde wel te schatten, en hun eigen leerstelsel, waar dit het geval is, te verbeteren.
Eindelijk is het niet genoeg, dat eene universiteit voorzien zij van kundige professoren, wel ervaren in de kunst van het onderwijs; zij eischt ook vermaardheid, en deze kan niet verkregen worden dan door de roem, welke hare professoren winnen, niet alleen door het groot aantal van kundige voedsterlingen, die uit hunne scholen voortkomen, maar voornamelijk door de werken, welke zij uitgeven, en die alleen de geleerde wereld in staat zullen stellen om hen te beoordeelen, en hun de plaats toetewijzen, welke zij verdienen onder de mannen die hunne eeuw door geschriften verlichten: een roem, die voor het overige geheel ten voordele der universiteit uitloopt, door van alle kanten leerlingen naar dezelve te lokken en onder dezen een edelen na-ijver optewekken.
Wij zijn dus van oordeel, dat men de professoren niet te veel kan uitnoodigen om den tijd, welke hun van het geven van onderwijs mogt overblijven, te besteden aan den arbeid van het kabinet (de studeerkamer), tot het opstellen en uitgeven van nuttige werken, geschikt om hen op eene uitstekende wijze aan de wereld bekend te maken; werken daarenboven, die ter zelfder tijd zullen dienen ter bereiking van een groot doel, dat men zich bij de oprigting der universiteiten heeft voorgesteld, namelijk om dezelve te maken tot een vereenigingspunt van lichtstralen, die de geleerdheid wijd en zijd verspreiden.
Eenheid van onderwijs en onderzoek op z'n Hollands. In de memoranda die Fichte, Schleiermacher, Steffens en Humboldt in dezelfde jaren opstelden voor de op te richten Berlijnse universiteit staat het weliswaar wat gloedvoller, maar aangezien de Nederlandse universiteiten eind 18e eeuw niet echt uitblonken door hun onderzoeksoutput was het toch best een pittige aanbeveling.


Vertoog over de Universiteiten, met betrekking tot het stelsel van openbaar onderwijs, en tot alle de inrigtingen die tot hetzelve, middellijk of onmiddellijk behooren, aangeboden aan zijne majesteit den Koning van Holland door eene daartoe opzettelijk benoemde commissie [J.H. van Swinden, J.A. Bennet, Joh. Valckenaer, van Beeck Calkoen], Amsterdam, Bloeimaand [april] 1809

Geen opmerkingen: