maandag 19 november 2007

'Essentially Contested Concepts', vijftig jaar later

In 1956 publiceerde W.B. Gallie het artikel 'Essentially Contested Concepts', waarover ondertussen zoveel gezegd is dat het de irrelevantie in gecanoniseerd is. Ik bedoel daarmee dat het onmogelijk is om uitgebreid op het artikel in te gaan, zonder de receptiegeschiedenis mee te nemen waarin al eerder en dieper op een en ander is ingegaan: ofwel je herhaalt onbedoeld dingen die allang erover gezegd zijn, of je vervalt in de regressie van commentaren op commentaren. Ik zal het daarom kort houden (wat verwijzingen betreft).

In de bespreking van het voorbeeld 'democracy' heeft Gallie het over verschillende opvattingen van democratie: de meerderheid beslist, de meerderheid kan de regering naar huis sturen, iedereen is beschermd tegen willekeur, of: iedereen doet mee. Wat Gallie niet wist, is hoe de opkomst van massacommunicatie de balans tussen die verschillende opvattingen zou veranderen.
Enerzijds heeft met name de tv de democratie 'dichterbij' gebracht: wat vroeger zum gutachten in de krant stond, verschijnt nu dezelfde avond op tv. Een journalist maakt een documentaire over misstanden in de jeugdzorg en dezelfde dag moet 'de politiek' een antwoord gereed hebben. Niemand, natuurlijk, die in dat ad-hoc-antwoord gelooft; maar de politicus kan ook niet zeggen, 'ik weet het niet, we gaan er over nadenken'. Hij kan hoogstens proberen namens 'de burger' te spreken, of zich anders naar huis laten sturen. De paradox is dat meer informatie zo leidt tot minder participatie, en de hogere omloopsnelheid van informatie een cynisch politiek consumentisme in plaats van betrokken burgerschap in de hand werkt.
Anderzijds ondergaat de meningsvorming een gevaarlijk soort versimpeling: wat 'de burger vindt' zien we terug in straatinterviews van 10 seconden, ja/nee-opiniepeilingen en zetelprognoses. Je kunt natuurlijk ook je mening kenbaar maken door te posten op een forum, in te bellen op radio 1 of zelfs een opiniërend stuk te schrijven, maar wanneer dat invloed heeft is dat een proces dat weinig transparant is, dat niet vatbaar is voor vastgelegde checks and balances. Het laat zich niet formeel vastleggen, wiens mening waardevol en/of van invloed is.

Goeie ouwe tijd, zou je haast denken, waarin mensen zich nog committeerden aan een partij/vakbond/kerk/zuil, zodat het duidelijk was wie zich namens de meute met deliberatie mocht bezighouden. Maar dat is wel een erg cynisch soort nostalgie. 'Was het volk nog maar volgzaam, dan kon het tenminste regeren door te volgen.'
Eerder zou je willen dat politici eens vaker zeiden: 'Beste kiezer, ik ga niet doen alsof ik jouw problemen kan oplossen, en als je te beroerd bent om zelf mee te doen en mee te denken, wil ik jouw stem niet hebben.'
Maar daarmee los je niet het probleem op: hoe zorg dat iedereen mee kan delibereren, in een gemeenschap die niet in een New England Town Hall past? Dat probleem is in reactie op de Franse Revolutie wel gebruikt als argument voor een Reform von Oben: eerst maar eens de burger mondig maken, voor je de democratie uitroept.

Gallie heeft het in zijn artikel uitdrukkelijk over de vrije deliberatie over essentially contested concepts. Hij noemt het een kenmerk van democratie, dat het conflict over wat 'staat', 'religie', 'kunst' inhoudt niet beheerst wordt door een aantal onverzoenlijke kampen, maar dat men in staat is de redelijkheid van elkaars positie in te zien. Va bene, maar als iedereen zijn eigen definitie van zo'n begrip aanhangt, praten we allemaal langs elkaar heen. De vorming van zulke kampen is niet louter een vorm van ideologische repressie, het is ook een bandwagon-effect: je klit bij elkaar in groepen die elkaar begrijpen, die dezelfde 'style of reasoning' volgen.
De kampen zijn sinds 1956 wel wat minder duidelijk afgegrensd geworden. Er is meer sprake van 'doelgroepen', 'levensbeschouwingen', 'virtuele gemeenschappen' usw.
Maar is de deliberatie daarmee 'redelijker' geworden? Optimisten zouden kunnen spreken van een plug-in-society, waarin iedereen zijn eigen aansluiting moet vinden. Met wat minder optimisme kun je zeggen dat meningsvorming deel wordt van je consumptieprofiel.
Gallie ziet een schone taak weggelegd voor de filosofen en historici, om bij te dragen aan de verheldering en herbestemming van essentially contested concepts. Dat sluit aan bij mijn eigen taakopvatting en mijn eigen bezigheden met Bildung, maar het is te flatteus. Deliberatie beperkt zich niet tot Geschichtliche Grundbegriffe, het gaat ook en vooral over jeugdzorg en de A4. Daarover hebben historici en filosofen niks bijzonders te melden.

Zoals Gallie terecht opmerkt: niemand ziet te wachten op filosofen die professioneel definitie op herdefinitie stapelen. Waar je meer aan hebt, en dit ontleen ik niet aan Gallie, zijn nieuwe ideeën over wat er toe doet. Mondig zijn betekent niet ja of nee zeggen of definities aanscherpen, maar dingen relevant maken. En hier valt mijn vakbroeders te verwijten, dat ze kwesties van 'zin' liever aan de kerk en de kunst overlaten, en kwesties van 'belang' liever aan de markt en de politiek. Wat dat betreft, zijn we meer gebaat bij filosofie als een vorm van 'Bildung' dan als 'conceptuele analyse'.
Wat ik daarmee bedoel? Nou, als er bijvoorbeeld eens wat meer mensen dit blog zouden lezen...


W.B. Gallie: 'Essentially Contested Concepts', in: Proceedings of the Aristotelian Society, vol. LXI, maart 1956; herdrukt in: Philosophy and the Historical Understanding, Londen, Chatto & Windus 1964

1 opmerking:

Roelof Theun Hoen zei

Compleet mee eens!