maandag 17 juni 2013

Eigentijds maniërisme

vandaag in muziekvan.nu

Langzaam bewegen twee stellages op wielen, bijeengelast uit een stuk of tien omafietsen, naar elkaar toe door de passage van het Rijksmuseum. De ene sleept een batterij orgelpijpen achter zich aan, de andere is volgehangen met slagwerk bestaande uit kettingen, sturen, frames en fietsbellen. In elk van die stellages zit een half dozijn studenten van het Koninklijk Conservatorium die zingen, acteren en muziek maken. De uitvoering schijnt iets te maken te hebben met vrouwelijkheid en Afrika, want is geïnspireerd door Peter Sellars’ Desdemona, maar dat mag de pret niet drukken. De wekelijkse concerten in de onderdoorgang zijn zonder meer de meest geslaagde voorstellingen op het Holland Festival tot nu toe. En nog gratis ook.


‘Is muziektheater de kunstvorm van de 21e eeuw?’, is het thema van een debat dat een week daarvoor plaatsvindt in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Voor Pierre Audi is dat een retorische vraag, vooral bedoeld om te benadrukken hoe eigentijds zijn programmering is: er is immers een 3D-opera (Sunken Garden), een multimediale productie van La Scala (Quartett), een postkoloniaal vrouwelijk perspectief (Desdemona), schoktheater van Jan Fabre (Tragedy of a Friendship), en een muziekstuk van theatrale proporties (Nine Rivers). De aanwezige makers lijken dit volmondig te bevestigen; zelfs James Dillon, die een paar kanttekeningen plaatst, begint met het voorbehoud ‘I don’t mean to say no’.

Luca Francesconi noemt het muziektheater een ‘multimedia box’ waarin meer verschillende elementen gecombineerd kunnen worden dan in enige andere kunstvorm. Dat betekent wel dat je soms concessies moet doen om te zorgen dat muziek, beeld, tekst en actie elkaar niet in de weg zitten, en dat je afhankelijk bent van operahuizen met hun tradities en hun stenen muren. Inderdaad is Quartett letterlijk een kijkkast, een Kammerspiel in een doos opgehangen boven het podium. Het acteerwerk is intens, de muziek is verfijnd, de scenografie duizelingwekkend. Maar het blijft maniërisme: een stijl zo ver als mogelijk doorvoeren binnen al gestelde parameters.

Michel van der Aa geeft een meer cultuurbeschouwelijk antwoord. We leven in een beeldcultuur, klassieke muziek is niet meer het dominante geluid, de kijker is een omnivoor met een zapmentaliteit en daar moet je als maker op reageren. Sunken Garden rekt inderdaad de parameters op: een van de personages heeft een housebeat als Leitmotiv, er is interactie tussen de zangers op het scherm en op het podium, en door de 3D-effecten spat de voorstelling soms letterlijk de zaal in. Toch blijft ook Sunken Garden een maniëristische exercitie. Want die effecten blijven effecten. De personages zijn van bordkarton, het verhaal is The Matrix met een snufje Being John Malkovich, en de opspattende verticale vijver doet nog het meest denken aan een videogame.

Wat ook niet helpt is dat zowel Francesconi als Van der Aa vasthoudt aan gezongen dialogen. Dan kun je nog zo goed zingen, maar het blijft intens gekunsteld. Jan Fabre, die niet deelnam aan het debat, heeft dat beter begrepen. In Tragedy of a Friendship vertaalt hij Wagners opera’s in dertien tableaus waarin spraak overgaat in zang, dans in film, stilstaand beeld in decor. Jammer genoeg is Jan Fabre wel Jan Fabre, dus is Tragedy of a Friendship een aanschakeling van slechte seks. Dat wil zeggen: sadistische verkrachtingsscènes en een Götterdämmerung van nonstop neukbewegingen. De muziek komt er in die wervelende peepshow bekaaid van af; Tragedy of a Friendship is toch vooral het werk van een theatermaker en beeldend kunstenaar die iets met Wagner doet.

Nine Rivers, schreef ik eerder, is vooral memorabel door de lengte, maar eerder een curiosum dan een meesterwerk. Over Desdemona kan ik niet oordelen. Op basis van wat ik tot nu toe gezien heb lijkt de conclusie dat een groep muziektheaterstudenten meer van eigentijds muziektheater heeft begrepen dan de hele topprogrammering van het Holland Festival. Juist door de pretenties en de hoge production values vervallen Francesconi, Van der Aa, Dillon en Fabre elk in een eigen vorm van maniërisme.

Moeten we al die franje dan maar weglaten? Is muziektheater dan toch niet de kunstvorm van de 21e eeuw? Nee hoor, we moeten alleen niet luisteren naar Pierre Audi. Er zijn wel degelijk goede, actuele redenen om muziek een theatrale invulling te geven. Ten slotte is muziek ook maar georganiseerd geluid en een cultus van muzikale complexiteit, virtuositeit en ‘diep luisteren’ is ook niet de manier om de kunstvorm levend te houden. Voor wezenlijk nieuwe muzikale ervaringen moeten we juist het grensvlak van disciplines opzoeken, en in een tijd waarin alles ‘kunst’ kan zijn is presentatie een essentieel onderdeel van elke kunstvorm, dus ook van de muziek. Je moet alleen niet interdisciplinair doen omdat het moet, maar omdat het leuk is. De nieuwe generatie begrijpt dat en rijdt in een muzikaal fietsmonster onder het Rijksmuseum door, in plaats van krampachtig eigentijds te doen in een kijkdoos.

Geen opmerkingen: